|
WETBOEK INKOMSTENBELASTINGEN '92 Art. 341 Behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Wanneer het tegenbewijs van de belastingplichtige betrekking heeft op verkopen van roerende waarden of andere financiële instrumenten die hij zich als belegging heeft aangeschaft, hebben de ingeroepen aankoop- of verkoop-borderellen of -documenten tegenover de administratie der directe belastingen slechts bewijskracht indien ze de vermelding "op naam" dragen en zijn opgesteld ten name van de belastingplichtige of van de personen van wie hij de rechthebbende is. De belastingplichtige verantwoord een tekort op
basis van tekenen en indiciën door een lening van een familielid.
Belastingplichtige kan de ontvangst van de som echter niet bewijzen doch de
ondertekende ontvangstbewijzen en de bankuittreksels inzake de
terugbetaling van de lening zijn voldoende voor het Hof. De
administratie moet bewijzen dat de leningen geveinsd zouden zijn. Een vermogenstekort kan niet gerechtvaardigd
worden door het inroepen van een lening, bekomen bij een inmiddels overleden oom
uit Amerika, wanneer terzake geen enkel schriftelijk bewijs kan worden
voorgelegd. Financiële steun van familieleden en het bezit
van vroeger niet belastbare inkomsten worden door het Hof niet aangenomen,
gezien terzake geen positieve en controleerbare bewijzen worden aangebracht.
Bovendien gaat het Hof akkoord met het geraamd levensonderhoud (174.000 fr. voor
een gezin van 2 personen). Bergen, 16.3 . l 990 - FA 90/25bis - F 3 17, blz. 10 Het indiciair tekort dat voortvloeide uit de terugbetaling
van het debetsaldo van de rekening-courant die de belastingplichtige had in zijn
vennootschap, kan niet gerechtvaardigd worden door de voorlegging van niet
voldoende bewijskrachtige stukken waaruit de verkoop van goud blijkt. Gezien
nochtans betrokkene tijdens de voorbije 6 jaar belangrijke geldsommen heeft
onttrokken aan zijn vennootschap (38 mlj.) kan aangenomen worden dat daarvan
voldoende zal zijn overgebleven om voornoemde terugbetaling (9 mlj.) te
rechtvaardigen. Uit de vaststelling van gekende feiten (gedane
investeringen, de haast om loterijwinsten te beleggen en het beschikken over
verschillende bankrekeningen waardoor kan getwijfeld worden omtrent het bestaan
van liggende gelden) heeft de administratie terecht afgeleid dat er een hogere
graad van gegoedheid was. Ofschoon slechts een jaar in betwisting werd gesteld,
heeft de administratie terecht haar berekeningen gespreid over 2 jaar. Indien de belastingplichtige zich akkoord heeft verklaard
met een indiciaire afrekening, evenwel met voorbehoud voor bepaalde elementen,
dan moet nog steeds een bericht van wijziging worden verzonden wanneer deze
elementen niet worden aangebracht. Het weerleggen van een vermogenstekort van 2 mlj. door
middel van twee handgiften wordt als onjuist afgedaan, gezien de ene, een oom
die 1 mlj. zou gegeven hebben, leefde met een pensioen van 14.000 fr., geen
bankrekeningen of spaarboekjes bezat en geen eigenaar was van zijn woonhuis, en
de andere, een brit die uit erkentelijkheid voor het gebruik van het appartement
aan zee l mlj. zou gegeven hebben, aldaar niet was bekend en blijkbaar in de
onmogelijkheid verkeerde dergelijke uitgaven te doen. Gent, 12.2.1991 - F 331, blz. 8 - FA 91/17, blz. 2 - ced 477.5 - F 368, blz. 13 - F 375, blz. 13 Is geen weerlegging van het vermoeden voortvloeiend uit
een indiciair tekort, het aanhalen van vorige belastingaangiften en de eruit
voortvloeiende opstelling van een positieve vermogensbalans. Dit laat de
administratie niet toe de gegrondheid te controleren (het bezit van de
overschotten wordt niet aangetoond). Het hof van beroep beoordeelt op onaantastbare wijze de
bewijswaarde van de feitelijke gegevens die de fiscus aanvoert als tekenen en
indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt. Zij dient geen ander
bewijs meer te leveren. Art. 247 verbiedt niet dat de belastbare grondslag van een
belastbaar tijdperk wordt vastgesteld op grond van tekenen en indiciën die in
een later jaar aan het licht komen. o.m. Op grond van de auto- en verplaatsingskosten wordt de
belastingplichtige belast met toepassing van art. 247, W.l.B. Hij beweert dat
zijn vriendin bijdraagt in die kosten. De rechter neemt aan dat dit kan maar
aanvaardt dit gegeven niet omdat geen positieve en controleerbare gegevens
worden voorgebracht. Het gedurende verschillende jaren onproductief houden van
een belangrijke geldsom wordt nog slechts uitzonderlijk geloofwaardig geacht. Aan een dergelijke bewering wordt in geen geval geloof gehecht wanneer blijkt dat de belastingplichtige verschillende spaarrekeningen heeft waardoor hij er de voordelen en soepele mogelijkheden van kent. Antwerpen, 26.6.1990 - F 340, blz. 9 - B 704, blz. 875 Teneinde een indiciair tekort te rechtvaardigen beriep de belastingplichtige
zich op een aantal onderhandse leningen die derden gestaafd met verklaringen van
de beweerde geldschieters. Dit is geen af doend bewijs indien het niet wordt
gestaafd met het bewijs van de werkelijk overdracht van de gelden. Teneinde de
leningen te verwerpen moet de administratie niet noodzakelijk de valsheid van de
verklaringen bewijzen daar zij een derde is t.a.v. de leningsovereenkomsten die
haar worden tegengeworpen. Het feit dat tijdens een bepaald belastbaar tijdperk voor 650.000 fr. kasbons
werden aangekocht houdt op zichzelf niet in dat er een gelijk bedrag aan
niet-aangegeven inkomsten zou zijn vastgesteld. Een aanslag kan geldig gevestigd worden op grond van tekenen en indiciën,
zelfs al wordt maar één indicie in aanmerking genomen (Cassatie, I 2.9. 196 1
en Cassatie, 30. 1 . 1962). In hetzelfde arrest wordt het geraamd
levensonderhoud (150.000 fr.) bovenop de huurlasten, door het Hof aangenomen,
gezien de belastingplichtige tevens beschikte over een voertuig. Het bankattest waaruit blijkt dat de belastingplichtige kasbons heeft
verkocht, bewijst niet dat de effecten (die aan toonder zijn) effectief
toebehoorden aan de belastingplichtige, noch dat zij voortkomen van inkomsten
uit enig vroeger belastbaar tijdperk. Uit de bewoordingen van art. 247, W.l.B., blijkt dat deze wettelijke bepaling
als bewijsmiddel voorbehouden is aan de administratie. Nalatenschap De aanslag op grond van art. 247, W.l.B., is nietig wegens willekeur wanneer
de taxatieambtenaar zich ertoe beperkt de kosten voor levensonderhoud te ramen
zonder de elementen aan te geven waarop deze raming steunt. Een voor een vorig
aanslagjaar gegeven akkoord m.b.t. het geraamd bedrag van het levensonderhoud,
ontslaat de ambtenaar voor een volgend jaar niet om het geraamd levensonderhoud
te motiveren. Met tekenen en indiciën worden feitelijke gegevens bedoeld die, tot
tegenbewijs, een wettelijk vermoeden opleveren dat de daarmee gemoeide bedragen
afkomstig zijn van belastbare inkomsten die tijdens het belastbaar tijdperk
werden verkregen door de belastingplichtige. De kwijting van wissels m.b.t.
gedane investeringen is een geldige indicie. De kosten van levensonderhoud voor het gezin van de belastingplichtige
(geneesheer) dat 2 volwassen kinderen ten laste telt en er 2 personenwagens op
na houdt, werd met matigheid bepaald op 500.000 fr. De weerlegging van een indiciair tekort door aan te voeren dat de te
verantwoorden sommen voortkomen van de verkoop van een geërfd onroerend goed
kan niet worden aangenomen wanneer die verkoop zich voordeed tijdens een vorig
belastbaar tijdperk en bij het ingaan van de indiciaire periode niet kan worden
aangetoond dat de genoten opbrengst nog steeds in het bezit was. Voor zover wordt aangenomen dat er effectiefeen handgift is geweest, komt het
niet aannemelijk voor dat een som van 400.000 fr. gedurende meer dan één jaar
niet werd belegd. De bewering dat administratieve beslommeringen en het lang
aanslepen van de bouwwerken daarvan de oorzaak zijn, is niet relevant.
Voornoemde som, voor zover de handgift heeft plaatsgehad, werd vermengd met de
andere spaartegoeden en aangezien met de afname ervan rekening werd gehouden,
wordt de eis van appellant afgewezen. Wanneer voor het weerhouden bedrag aan levensonderhoud wordt verwezen naar de
OCMW-wet waarin het gedeelte van de inkomsten wordt vermeld dat niet vatbaar is
voor beslag om een terugbetaling te bekomen van de geleverde prestaties, dan is
het weerhouden levensonderhoud voldoende gemotiveerd en bewezen. De raming
steunt immers op gecontroleerde en betrouwbare gegevens. Het weerhouden levensonderhoud kan niet betwist worden door oncontroleerbare
gegevens naar voor te brengen, zoals het feit dat men een groententuintje heeft
en dat er besparingen zijn op kledij. Voor verrichtingen vanaf 1.1.1991 zijn aankoop- en verkoopborderellen m.b.t.
de aan- of verkoop van roerende waarden of andere financiële instrumenten, nog
enkel tegenstelbaar aan de administratie mits zij de vermelding "op
naam" dragen en op naam van de belastingplichtige of zijn rechthebbende
zijn gesteld. Volgens de adm. circ. zal het indiciair onderzoek zich niet
beperken tot het nagaan of de ingeroepen documenten al dan niet op naam zijn
gesteld. Er zal tevens worden nagegaan of de inroeper wel degelijk eigenaar was
van de waarden. Enkel de erfgenamen in rechte lijn zijn gerechtigd zich te
beroepen op borderellen, enz..., gesteld op naam van de erflater. Naar aanleiding van het ontdekken door de douane van een som van 3.500.000
fr., uitbetaald door een Luxemburgse bank, werd door de adm. der dir. bel. een
aanslag gevestigd op grond van art. 247, W.l.B. Het gebruik door de adm. van
deze vanwege de douane verkregen inlichtingen is terecht, gezien de douane
binnen haar opdracht deze inlichtingen heeft verkregen... er bleken immers 8
sloffen sigaretten frauduleus te zijn ingevoerd (ondertekende "acte de
soumission"). Weerhouden tekenen en indiciën mogen niet steunen op eenvoudige vermoedens,
maar moeten steunen op concrete gegevens. Wanneer financiële hulp wordt ingeroepen, dient deze bewezen te worden,
zelfs wanneer die kwam van familieleden. Indien verklaringen worden voorgelegd
waarin de leninggevers niet verklaren dat zij de som contant hebben betaald, dan
moet de ter beschikkingstelling blijken uit bankdocumenten. Een winst behaald bij de PMU vormt slechts een afdoend tegenbewijs wanneer de
werkelijke ontvangst wordt aangetoond met controleerbare gegevens. Een
verklaring van een derde die de winst voor rekening van de belastingplichtige
zou hebben geïnd is niet voldoende. De administratie moet de valsheid van voorgelegde verklaringen niet bewijzen.
Het volstaat dat zij eist dat de belastingplichtige door middel van concrete
elementen (bv. voorlegging bankuittreksel) bewijst dat hij bepaalde sommen heeft
gekregen van zijn toekomstige schoonvader en van zijn verloofde. Indien de
belastingplichtige terzake in gebreke blijft, dan wordt terecht geen rekening
gehouden met die sommen, temeer gezien niet kan worden aangenomen dat onderlegde
personen (zoals de verloofde die onderwijzeres is), die gelden thuis contant
bewaren zonder ze interesten te laten opbrengen (350.000 fr. en 125.000 fr.) Ter rechtvaardiging van een indiciair tekort roept een vastgoedhandelaar een
bedrag van 2 mlj. in liquiditeiten in. De rechtbank aanvaardt dit niet, gezien
niet kan aangenomen worden dat een vastgoedhandelaar zal verzaken aan
interest-opbrengsten, terwijl hij over een bankrekening beschikt waarop hij het
geld had kunnen plaatsen, al ware het maar om verlies of diefstal te voorkomen. Elke vorm van belegging wijst erop dat de belastingplichtige over de nodige
middelen beschikt om de uitgave te financieren, zodat, behoudens tegenbewijs,
mag worden aangenomen dat hij deze middelen heeft behaald in de belastbare
periode. Een lening en een schenking van de schoonvader komen niet als
rechtvaardiging in aanmerking, gezien noch van de overdracht van de gelden, noch
van de afname ervan door de beweerde schenker, noch van de ontvangst en de
besteding ervan door de eiser enig stuk werd voorgelegd, terwijl het volkomen
onaannemelijk is dat zowel de schenker als eiser - beiden handelaars -
dergelijke belangrijke bedragen onproductief zouden hebben bewaard. De raming van het levensonderhoud, vastgesteld op gemiddeld iets minder dan
20.000 fr. per maand, is zeer gematigd rekening houdend met het feit dat
rekwirante, die een bar uitbaat, gedurende de betwiste periode beschikte over
een voertuig en haar banktegoed zag aangroeien, zeker daar het hoogst
onwaarschijnlijk is dat rekwirante, die personeel kan vergoeden, de taksen op de
diensters alsmede de hoge taks op haar privé-club kan betalen en die over geen
spaargelden beschikte, zich tevreden zou stellen met belastbare inkomsten die
gelijk zijn aan of lager dan het levensminimum of een zelfstandigenpensioen, die
slechts eer armzalige levenswijze toelaten indien men niet over spaargelden
beschikt. De winsten uit paardenwedrennen worden niet aangenomen als rechtvaardiging,
aangezien de voorgelegde bewijsstukken de inzetten van de belastingplichtige
niet vermelden, de boekhouding van het kantoor dat de bewijsstukken opstelde
geen enkele aanwijzing bevat nopens de identiteit van de winnaars en de bedragen
van de inzetten en bovendien flagrante tegenstrijdigheden de kwade trouw van
één van auteurs van die bewijsstukken (verklaringen) aantonen, waardoor hen
elke bewijskracht wordt ontnomen. Een belastingplichtige die werd belast op grond van tekenen en indiciën
stelde dat men geen rekening had gehouden met het feit dat hij lid was van een
feitelijke vereniging en dat de in aanmerking genomen lasten dan ook onder de
leden moesten worden verdeeld. Gezien betrokkene de enige eigenaar was van het
onroerend goed en de hypothecaire lening op zijn naam was gesteld, beschouwd het
Hof dat hij de enige is die de lasten heeft gedragen. De voorziening wordt
afgewezen. Een belastingplichtige die gedurende jaren geen aangiften indiende werd voor
een bepaald aanslagjaar ambtshalve belast op een levensonderhoud van 400.000 fr.
Betrokkene beweert dat die aanslag willekeurig is, gezien het belast bedrag niet
becijferd is en hij niet kan bewijzen hoeveel zijn inkomsten bedragen
(tegenbewijs) gezien hij leeft op kosten van zijn echtgenote in Duitsland en
geen inkomsten heeft. Alhoewel het feit dat betrokkene geleefd heeft op zichzelf
een indicie is, laat die indicie niet toe te bepalen hoeveel de
belastingplichtige tijdens het belastbaar tijdperk nodig had om in zijn
levensonderhoud te voorzien. Gezien de adm. het belast bedrag niet afdoende
verantwoordt, wordt de aanslag vernietigd. De raming van het levensonderhoud op 300.000 fr. voor een gezin van 4
personen is redelijk en gematigd in verhouding met het bedrag waaronder het OCMW
niet gerechtigd is om enige terugbetaling te eisen van een Ioontrekker, te weten
250.000 fr. + 50.000 fr. per persoon ten laste. lndien belastingplichtige zich
wenst te beroepen op vroegere spaargelden die werden bewaard in een brandkast
(wat zeer eigenaardig overkomt voor iemand die over bankrekeningen beschikt),
dan moet hij daarvan het bewijs leveren. Geval waarin een schenking van 700.000 fr. van de meter van de
belastingplichtige niet als verantwoording wordt aangenomen voor het indiciair
tekort dat o.m. voortvloeit uit de aangroei van de lopende rekening van
betrokkene, gezien het geschonken bedrag slechts in zes keer tussen 8.8 en 28.10
op de lopende rekening werd gestort, gezien de verre familiale band
(tante-meter) en het feit dat er tegenstrijdigheid is m.b.t. de datum van de
schenking. Geval waarin een financiële bijstand van de broer van de belastingplichtige,
die zelfstandige is, niet wordt aangenomen, gezien een zelfstandige mag geacht
worden terzake bewijsstukken te zullen creëren. Bovendien wordt een gift van de
vader van betrokkene niet aangenomen, gezien het geld enerzijds van een
spaarboekje werd afgehaald in het jaar I , terwijl de handgifte werd gedaan in
twee fasen tijdens het jaar 1 en het jaar 2. Bovendien acht het Hof de schatting
van het levensonderhoud redelijk en wordt de verkoop van kasbons niet
aangenomen, gezien niet wordt bewezen dat de belastingplichtige de werkelijke
verkoper is. De administratie belastte een belastingplichtige op grond van een indiciaire
afrekening over de maanden januari t/m oktober, waarbij ze de aangegeven
inkomsten voor de maanden november en december telde. Volgens het Hofmoet een
indiciaire afrekening worden opgesteld voor een volledig kalenderjaar en niet
voor een deel ervan... zeer betwistbaar arrest. Aansluitend op sub 27 verklaart de Minister dat bij gebrek aan documenten die
op naam zijn gesteld, de belastingplichtige steeds met andere bewijsmiddelen het
bezit en de verkoop van roerende waarden of financiële instrumenten mag
aantonen. De echtgenote beweerde, ter weerlegging van een indiciair tekort voor het
inkomstenjaar 1980, in 1977, ter gelegenheid van de feitelijke scheiding,
400.000 fr. te hebben ontvreemd van haar ex, iets wat werd gestaafd door middel
van een toen geopend strafdossier wegens diefstal dat werd geseponeerd, gezien
diefstal tussen echtgenoten niet strafbaar is. Niettemin verwerpt het Hof dit
bedrag als rechtvaardiging gezien niet wordt aangetoond dat dit bedrag nog
steeds aanwezig was bij het begin van het belastbaar tijdperk 1980 (de vrouw had
het bedrag bewaard in een kast). Het vermoeden gevormd door tekenen en indiciën is een wettelijk vermoeden;
d.w.z. dat de sommen waarop zij slaan worden vermoed, tot het tegenbewijs, voort
te komen van inkomsten verworven tijdens het beschouwde belastbare tijdperk en
in de uitoefening van de beroepsactiviteit van de belastingplichtige. Door te
beweren dat de geleende sommen cash werden aangehouden, wordt dit tegenbewijs
niet geleverd wanneer blijkt dat betrokkene beschikt over een spaarboekje en
meerdere financiële rekeningen. Het feit dat de spaarboekjes van de vader van verzoeker werden leeggehaald 4
dagen voor het overlijden van betrokkene, gevoegd bij het feit dat deze datum
niet overeenstemt met enige belangrijke uitgave die appellant moest doen, noch
met een merkelijk binnenkomen van fondsen in zijn patrimonium, maakt de stelling
volgens dewelke deze opvragingen bestemd waren voor een handgifte in hun
voordeel onwaarschijnlijk. Er kan moeilijk aanvaard worden dat appellante, die als handelaarster moest
beschikken over een postcheque- of bankrekening, sedert oktober 1966 geen
bankrekening meer zou hebben gehad en bijgevolg gedurende een lange periode
belangrijke bedragen onder zich zou hebben gehouden. Betrokkene blijft derhalve
in gebreke om aan de hand van positieve en controleerbare gegevens het vereiste
tegenbewijs te leveren. De bewering dat de familie voorziet in het levensonderhoud van appellant, nu
zijn zaak failliet werd verklaard, levert geen tegenbewijs dat betrokkene geen
belastbare inkomsten heeft genoten. De adm. stelt terecht dat de in aanmerking
genomen kosten voor levensonderhoud in de indiciaire taxatie matig werden
begroot en dat het faillissement niet verhindert dat appellant toch nog
inkomsten verwerft. Een niet-gehuwde dame werd voor de aanslagjaren 1984 en 1985 getaxeerd op
grond van tekenen en indiciën. In haar verweer stelde zij dat ze samenwoonde
met een man die in haar levensonderhoud voorzag. Daarop vroeg de adm. het
positieve bewijs van dit samenwonen. De dame stelde dat dit een inbreuk was op
haar privacy en dergelijk bewijs trouwens nooit wordt gevraagd van gehuwden.
Volgens het Hof hoeft dit niet gevraagd te worden van gehuwden, gezien zij
wettelijk verplicht zijn tot samenwonen. Het Hof vindt bovendien dat de adm.
terecht het positieve bewijs vroeg van samenwonen, teneinde gehuwden en
samenwonende ongehuwden op dezelfde voet van gelijkheid te kunnen behandelen. De
voorziening werd afgewezen. Een landbouwer, belast volgens het barema, werd uiteindelijk getaxeerd op
grond van tekenen en indiciën en stelde dat de adm. niet gerechtigd was hem als
dusdanig te belasten, gezien het forfait leidt tot een wiskundig gemiddelde. Ten
onrechte vindt het Hof. Gezien geen formeel tegenbewijs wordt geleverd t.a.v. de
doorgevoerde taxatie wordt de aanslag bevestigd. Wanneer twee belastingplichtigen samenwonen, dan dient bij het opmaken van
een indiciaire afrekening in hoofde van één van beiden ofwel rekening te
worden gehouden met een gedeelte van het aangegeven inkomen van de andere, ofwel
het in aanmerking genomen levensonderhoud te worden verminderd met de inbreng in
het gemeenschappelijk levensonderhoud van de andere. Is geen weerlegging van het wettelijk vermoeden van een indiciair tekort, de
bewering als zouden bepaalde uitgaven gefinancierd zijn geweest met spaargelden
die in een bankkluis werden bewaard. Het feit dat de belastingplichtige kan
sparen is op zichzelf geen bewijs dat effectief werd gespaard. Het bestaan van tekenen en indiciën als wettelijk vermoeden kan niet zomaar
worden afgeleid uit de verklaringen die een derde heeft afgelegd tijdens een
strafonderzoek. Dergelijke verklaringen kunnen hoogstens een te verifiëren feit
uitmaken. Een belastingplichtige kocht in 1984 een pleziervaartuig. Op de vraag vanwaar
de geldmiddelen kwamen, antwoordt hij dat deze aankoop werd gefinancierd met
gelden die tijdens de vorige jaren werden gespaard. Hij toont aan dat hij enkele
dagen voor de aankoop een som geld, gelijk aan de aankoopprijs had gestort op
zijn bankrekening. Daarnaast toont hij aan dat hij tijdens de vorige jaren
minstens over eenzelfde bedrag kon beschikken (blijkt uit de voorgelegde financiële
verrichtingen). De adm. weigert deze verantwoording. Ten onrechte vindt het Hof.
De belastingplichtige is er volgens het Hof in geslaagd om aan de hand van
positieve en controleerbare gegevens het bestaan van de
rechtvaardigingselementen aan te tonen. Het aantonen van het bestaan van de
verantwoordingselementen is voldoende. Er kan niet geëist worden dat ook wordt
aangetoond dat de middelen ook werkelijk voor de aankoop werden gebruikt
(cassatie, 5.9.1986 : FJF 87, nr. 87/81). Bijgevolg volgt het Hof de
redenering van de adm. niet als dat de middelen effectief dienen aanwezig te
zijn bij het begin van het belastbaar tijdperk. Bovendien negeert het Hof het
feit dat betrokkene voorheen nooit geen opbrengsten van zogenaamde beschikbare
geldmiddelen heeft aangegeven. De loutere aanvoering van spaarmogelijkheden volstaan op zichzelf niet om de
oorsprong van de middelen te verantwoorden. De loutere bewering als zouden de
middelen improductief thuis in een brandkast zijn bewaard is ongeloofwaardig,
aangezien de belastingplichtige zijn loopbaan heeft beëindigd als
boekhouder-fiskaal adviseur en zowel een bankrekening als een spaarboekje bezit. Het indiciair tekort wordt niet verantwoord door een geschreven verklaring
van de schenkers en de zuster van appellant betreffende 2 handgiften van elk
1OO.OOOfr. nu het om relatief grote bedragen gaat, het onwaarschijnlijk is dat
de schenkers, 2 bejaarde personen, genoemde bedragen in gereed geld voorhanden
hebben, hun inkomsten overigens zeer beperkt zijn. Appellanten zijn ten onrechte
van oordeel dat het aan de Staat behoort de valsheid van de voorgebrachte
verklaringen aan te tonen. Er is geen reden om aan de echtheid van de leningen onder familieleden te
twijfelen, nu appellanten drie door de ontleners ondertekende onderhandse akten
van leningen voorleggen en er bovendien wordt aangetoond dat op het ogenblik van
het aangaan van de beweerde leningen tal van uitgaven werden verricht of
stortingen werden uitgevoerd op hun bankrekening. Tenslotte brengen appellanten
tal van documenten voor waaruit blijkt dat de aangegane leningen op regelmatige
tijdstippen werden terugbetaald. Ter rechtvaardiging van een indiciair tekort roept de belastingplichtige 2
leningen in, ontvangen van zijn vader voor een totaal bedrag van 1 mlj. Hiertoe
legt hij voor : 2 onderhandse overeenkomsten, 2 verklaringen van zijn vader die
bevestigt hem de sommen van 750.000 fr. en 250.000 fr. te hebben overhandigd en
4 verklaringen van getuigen die beweren een gesprek te hebben gehoord tussen
belastingplichtige en zijn vader over deze zaak, alhoewel deze getuigen niet
aanwezig waren bij de overhandiging van die fondsen. De voorgelegde stukken zijn
niettemin onvoldoende om de werkelijkheid van de leningen aan te tonen omdat
enerzijds het controleerbaar karakter ontbreekt en, anderzijds het forfaitair
karakter van de taxatie van de inkomsten van de vader niet toelaat uit te maken
of deze in staat was dergelijke belangrijke sommen te geven aan zijn zoon. In hoofde van een belastingplichtige, die o.m. een voorschot van zijn
boekhouder van 600.000 fr. inriep alsmede een afname door zijn kinderen
van hun lopende rekening bij zijn vennootschap waarin hij zelf een lopende
rekening had, werd een indiciaire afrekening gemaakt tot op het tijdstip van een
bepaalde belangrijke uitgave, waarbij slechts 10 maanden bezoldigingen uit de
vennootschap als rechtvaardiging werden weerhouden. Het Hof aanvaardt het
voorschot van de boekhouder niet, evenmin als de afname van de lopende rekening
door de kinderen. Wel stelt het Hof dat de vermogensafrekening dient gemaakt te
worden over minstens 12 maanden en bijgevolg alle inkomsten en uitgaven van het
jaar dienen in aanmerking te worden genomen (zie ook Cass. 5.9.1986). De gezinsuitgaven vormen een indicie van het bestaan van inkomsten en kunnen
samen met andere bewijskrachtige elementen dienen voor het ramen van de
belastbare grondslag volgens art. 247. De adm. kan het bedrag ervan vaststellen
op grond van feitelijke vermoedens (art. 246, W.l.B.). Een belastingplichtige werd van ambtswege belast op de door hem betaalde huur
voor zijn private woning x 3. Voor het Hof stelde hij dat de aanslag willekeurig
was en bovendien, dat zijn vennootschappen (drankgelegenheden) in 1981 failliet
werden verklaard zodat het aannemelijk is dat hij in 1980 geen winst meer heeft
gehaald. De adm. werpt voor het Hof de handdoek in de ring. Het Hof vindt het
trouwens eveneens arbitrair om in de gegeven omstandigheden dergelijke aanslag
te vestigen. Een aanslag die gebaseerd is op één enkele indicie van welstand (nl. de
uitgaven van het gezin, vastgesteld door feitelijke vermoedens) vormt voor
het Hof noch een willekeurige taxatie, noch een taxatie op grond van vermoedens
op vermoedens. De aanslag op grond van tekenen en indiciën - met name : inlichtingen
verkregen van de douanediensten die in de handtas van de echtgenote een document
hadden gevonden met becijferingen op voor een totaal bedrag van 1,8 mlj. - wordt
vernietigd, gezien de becijferingen op het document helemaal niet aantonen dat
betrokkenen bedoeld bedrag in Luxemburg zouden hebben belegd en de douane
trouwens buiten de haar toegekende bevoegdheden in het bezit was gekomen van dit
document (er was immers geen vermoeden van frauduleuze invoer, zodat een
handtascontrole niet kon worden uitgevoerd). Meer en meer gaat de fiscus het levensonderhoud dat zij in aanmerking neemt bij een indiciaire afrekening, gedetailleerd weergeven, zoals bv.
Zodoende legt de adm. de bal in het kamp van de belastingplichtige die het
tegendeel moet bewijzen per weerhouden kostenpost. Een zaakvoerder van een vennootschap zuivert met privé-gelden zijn
debetstand op lopende rekening in de vennootschap aan. De adm. weerhoudt deze
aanzuivering als een indicie. Belastingplichtige beweert dat het feit van de
afnamen voldoende verantwoordt van waar de gelden komen waarmee de debetstand
werd aangezuiverd. De adm. wil dit aanvaarden op voorwaarde dat de
belastingplichtige inzage geeft van zijn private bankrekeningen, wat hij
weigert. Het Hof volgt de redenering van de belastingplichtige en stelt dat niet
kan worden verwacht dat betrokkene een volledige historiek geeft van zijn
beleggingen en opnemingen. Het Hof besluit dat het levensonderhoud willekeurig werd bepaald (enig
gegeven waarop de taxatie steunde), aangezien daartoe van geen enkel concreet
feitelijk element werd uitgegaan en het louter feit dat de belastingplichtige en
zijn gezin tijdens een bepaalde periode geleefd hebben, anderzijds geen
rechtsgeldige indicie kan opleveren. Met het algemeen bekend feit dat bij de
joodse gelovigen een grote solidariteit bestaat, dient de adm. in het gegeven
geval rekening te houden. Volgens het Hof werd ten onrechte geen rekening gehouden met een handgifte
die werd verkregen van de toekomstige schoonmoeder, gezien deze bewezen werd aan
de hand van een bankuittreksel en een verklaring opgesteld twee dagen na de
opname bij de bank waarin werd gesteld dat deze handgifte werd aangewend om het
resterend bedrag van de aankoop van een onroerend goed re bekostigen. Een andere
verklaring m.b.t. een handgifte van de grootmoeder van de belastingplichtige
wordt daarentegen niet aangenomen, gezien deze door geen enkel positief en
controleerbaar bewijs wordt bevestigd. De beweerde spaaroverschotten kunnen niet als verantwoording worden aanvaard
nu blijkt dat belastingplichtige veelvuldig gebruik maakte van spaarboekjes,
termijnrekeningen, enz... Er kan niet worden aangenomen dat betrokkene
belangrijke geldsommen improductief zou hebben gelaten gedurende een vrij lange
periode. Het eenjarigheidsbeginsel verhindert niet dat tekenen en indiciën worden
afgeleid uit vaststellingen die verschillende opeenvolgende aanslagjaren
betreffen. Een aanslag gevestigd op basis van tekenen en indiciën kan enkel
weerlegd worden op basis van positieve en controleerbare gegevens. Deze gegevens
moeten aantonen dat de vastgestelde inkomsten voortkomen uit een niet belastbare
bron of dat zij werden verkregen gedurende een tijdperk dat het belastbaar
tijdperk voorafgaat. In casu had de belastingplichtige werken laten uitvoeren
aan zijn onroerend goed. Hij beweerde evenwel dat deze werken werden
medegefinancierd door een derde. Het voorleggen van een factuur op naam van deze
derde volstaat niet voor het Hof, de facturatie bevestigt enkel aan dat de derde
als contactpersoon fungeerde. In de BTW-listing van de leverancier komt
bovendien enkel de naam van de belastingplichtige voor en niet die van de derde
persoon. De fiscus kan de opgenomen sommen van de lopende rekening niet als te
verantwoorden uitgaven in de vermogensafrekening opnemen. Uitsluitend de
aangroei van het creditsaldo komt hiervoor in aanmerking. Het enkele feit dat men inkomsten moet hebben om in leven te blijven, zonder
verdere motieven of elementen, is niet voldoende voor de Administratie om een
aanslag op grond van tekenen en indiciën te vestigen. Bij een regelmatige boekhouding mag de Administratie toepassing maken van de
belasting op tekenen en indiciën, maar niet van de vergelijkingsprocedure. In welke mate is het schriftelijk vraagrecht zoals voorzien bij artikel 3 I 6
WIB 1992 verenigbaar met de bewijslastverdeling in het kader van een aanslag op
grond van tekenen en indiciën? Deze vraag werd aan de Minister gesteld omwille
van het feit dat de Administratie bij een taxatie op grond van tekenen en indiciën
de bewijslast heeft maar in de praktijk nochtans dikwijls gebruik maakt van haar
vraagrecht om het bewijsmateriaal bijeen te brengen. De Minister beklemtoont dat
de taxatieambtenaar de tekenen en indiciën die de grondslag vormen voor een
indiciaire taxatie, moet opsommen "zonder dat hij daarbij de
belastingplichtige mag betrekken". Een taxatieambtenaar die een
schriftelijke vraag stuurt aan een belastingplichtige heeft volgens de Minister
niet tot doel een aanslag op grond van tekenen en indiciën voor te bereiden
maar wel een meer objectieve en juiste vermogensafrekening te maken, dit
"in samenwerking met de belastingplichtige". De Minister relativeert
hiermee sterk de eventuele begrenzing van het vraagrecht. Wel mogen de door de
fiscus gestelde vragen niet zodanig ruim gesteld worden dat de
belastingplichtige in zijn antwoord zou verplicht worden zelf zijn
vermogensafrekening te maken en deze op een dienblad aan de fiscus te
presenteren. De grenzen van dit redelijkheidsbeginsel zijn moeilijk te trekken. Inkomsten uitgewezen door een rechtsvordering kunnen buiten de normale
aanslagtermijnen belast worden. De administratie ging dan ook, nadat ze inzage
gekregen had in een strafdossier, over tot een indiciaire afrekening met een
aanvullende belasting als gevolg. Volgens de belastingplichtige kunnen de
inkomsten uitgewezen door een strafvordering hier niet worden belast omdat de
administratie op grond van gegevens van het strafdossier een eigen onderzoek
voerde en de gegevens van het strafdossier niet heeft overgenomen. Het hof volgt
de belastingplichtige : de taxatie is gesteund op een indiciaire afrekening
voortvloeiend uit een eigen onderzoek van de administratie. De bijzondere
termijn voorzien bij artikel 358, § I, 3&127; kan hier volgens het hof geen
toepassing vinden. Fiscale actualiteit merkt terecht op dat gegevens uit een
strafdossier slechts zelden zonder meer op fiscaal vlak bruikbaar zijn.
Bovendien zegt de wet dat het moet gaan om inkomsten "uitgewezen" door
een rechtsvordering wat niet hetzelfde is als "bewezen". Een
eindarrest volgt. Een fiscale controle brengt een indiciair tekort aan het licht. De
belastingplichtige is het hiermee niet eens en dient een verzoek in om de
aanslag te herzien, weliswaar buiten de normale bezwaartermijn. Volgens de
belastingplichtige kan evenwel ambtshalve ontheffing verleend worden omdat de
administratie bij het opstellen van haar indiciaire afrekening geen rekening
gehouden heeft met een aantal voor de hand liggende rechtvaardigende elementen,
er zou met andere woorden sprake zijn van een materiële vergissing. Het hof
volgt in casu de belastingplichtige. Dit arrest sluit niet aan bij wat
normaliter onder "materiële vergissing" wordt verstaan. Een rekeninguittreksel van een persoonlijke rekening vormt geen voldoende
tegenbewijs in het kader van een indiciaire afrekening. Het uittreksel "op
zich" biedt geen inzicht in het concrete verloop van de rekening ter zake. Indien een onderzoeksrechter in het kader van een strafdossier nauwkeurige
inlichtingen bekomt van een financiële instelling vormen zij bewijskrachtige
gegevens in het kader van een indiciaire afrekening (zie ook sub 74). In het kader van een indiciaire afrekening stelt de administratie vast dat
een belastingplichtige een onroerend goed heeft gekocht in de maand januari van
het eerste gecontroleerde jaar. Aangezien de inkomsten van de gecontroleerde
periode niet voldoende zijn, beslist de administratie het indiciair tekort te
belasten. De belastingplichtige beweert dat de aankoop gefinancierd werd door
gelden die hij in vorige inkomstenjaren heeft gespaard. Het hof volgt de
belastingplichtige. Op basis van de inkomsten gedurende het beoogde tijdperk
oordeelt het hof dat de belastingplichtige wel degelijk kon sparen in de vorige
jaren. Een taxatie op tekenen en indiciën is willekeurig indien de tekenen en
indiciën niet als vooraf bewezen vaststaande of geverifieerde gegevens kunnen
worden aanzien. Een raming van de huishoudelijke uitgaven van een koppel restaurantuitbaters
op 240.000 fr. per belastbaar tijdperk is aanvaardbaar voor het hof, gelet op
een aantal kosten die een gezin minimaal moet maken om deftig te leven (huur,
kleding, enz...). De verliezen van de zaak kunnen hier geen rol in spelen. Een belastingplichtige komt indiciair in de problemen. Over twee aanslagjaren
heeft hij een tekort van 5,5 miljoen. Hij argumenteert dan ook dat hij bij het
begin van de belastbare tijdperken over een aanzienlijk bedrag aan spaargeld kon
beschikken. De administratie beaamt dat de belastingplichtige voldoende
belastbare inkomsten genoten heeft in de voorafgaande belastbare tijdperken om
te sparen. De mogelijkheid om te sparen volstaat evenwel niet. Concrete bewijzen
omtrent het sparen geeft de belastingplichtige niet, bewijzen van de beleggingen
in dit verband evenmin. Het Hof geeft de administratie gelijk. Er moeten
positieve en controleerbare gegevens zijn die aantonen dat de financiële
middelen nog voorhanden waren bij de aanvang van de betreffende belastbare
tijdperken. Voor het jaar waarin een ingenieur een appartement koopt wordt hij getaxeerd
op een indiciair tekort. Hij probeert dit tekort te rechtvaardigen door de
"spaartegoeden in zijn kluis" in te roepen. Het hof hecht geen geloof
aan zijn verhaal. Vooreerst lijkt het oppotten van geld voor een ingenieur nogal
onwaarschijnlijk. Daarnaast liet de eiser tezelfdertijd een tweede verblijf
bouwen wat de hypothese van vroegere spaartegoeden ernstig in twijfel trekt. Uit de volstorting van aandelen leidt de administratie een indiciair tekort
af. Volgens de belastingplichtige is de volstorting gebeurd door zijn ouders. De
belastingplichtige was voor de bewuste periode nog ten laste van zijn ouders en
beschikte niet over eigen financiële middelen. Dit vermoeden wordt door het Hof
aangenomen. In een gelijkaardig arrest brengen de familieleden eveneens redding.
Hier betreft het wel de rechtvaardiging van de aanzuivering van een debetsaldo
van de rekening-courant van de belastingplichtige in zijn vennootschap. Een indiciaire taxatie die gesteund is op één enkele indicie, met name op
de huishoudelijke uitgaven van een echtpaar, is niet willekeurig. De
huishoudelijke uitgaven vormen immers een feitelijk vermoeden dat kan aangewend
worden als indicie voor de raming van de belastbare grondslag. Wel moeten de
huishoudelijke uitgaven volgen uit een onderzoek van de concrete omstandigheden,
niet uit statistische en algemene gegevens. Zo zou het toepassen van een coëfficiënt
op het bedrag van de huur wel leiden tot een willekeurige taxatie. Fiscale
Actualiteit betwist dan ook de bijkomende stelling van het Hof, dat de
OCMW-wetgeving als bekend feit mag worden beschouwd om de huishoudelijke
uitgaven van de belastingplichtige in concreto vast te stellen. In aansluiting op sub 84 werd in twee andere arresten geoordeeld dat de
huishoudelijke uitgaven op willekeurige basis werden vastgesteld. De redenen : Teneinde een indicíair tekort te verantwoorden verwijst een zaakvoerder van
een vennootschap naar een lening van 750.000 fr. die hij vanwege een bevriend
echtpaar zou verkregen hebben. Het enige wat hieromtrent bestaat is een
schulderkenning die enkel door de belastingplichtige-zaakvoerder ondertekend is.
Wel kan de belastingplichtige aantonen dat er enkele jaren later 750.000 fr. van
zijn rekening gaat, volgens hem de terugbetaling van de lening. Deze
overschrijving kan slechts gestaafd worden met een dubieus ontvangstbewijs.
Bovendien blijken er geen intresten te zijn betaald. Het bestaan van de lening
is volgens het Hof dan ook niet bewezen. De loutere bevestiging van een moeder dat zij aan haar zoon een lening heeft
toegestaan is geen voldoende verantwoording voor een indiciair tekort. De
overdracht van het kapitaal moet met andere woorden worden bewezen door
positieve en controleerbare gegevens. Bedragen die worden ingeroepen als verantwoording van een indiciair tekort
mogen nog niet ingeroepen zijn in verband met een vorige aanslag die eveneens op
een indiciaire afrekening berustte. Bij een niet-inwoner kan geen indiciaire aanslag gevestigd worden. Het
vermoeden van artikel 341 WIB 1992 volgens hetwelk rekening moet worden gehouden
met de internationale inkomsten van een belastingplichtige kan niet van
toepassing zijn op een niet-inwoner die enkel belast wordt op zijn inkomsten van
Belgische oorsprong. Anders zou er gedeeltelijke dubbele belasting ontstaan in
België. Art. 341, W.l.B.92, belet niet dat de belastbare grondslag van een bepaald
aanslagjaar wordt geraamd op basis van tekenen en indiciën die tijdens een
later aanslagjaar aan het licht zijn gekomen. Een indiciaire taxatie die steunt op één bepaalde uitgave (in casu : de
gezinsuitgaven) is niet willekeurig. Naar aanleiding van de aankoop van een onroerend goed wordt bij een bakker
een indiciaire afrekening gemaakt, die resulteert in een fiks tekort. De bakker
weigert een vraag om inlichtingen te beantwoorden en wordt van ambtswege
aangeslagen. De bewijslast rust op de belastingplichtige. Een deel van het
indiciair tekort wordt tijdens de bezwaarprocedure gerechtvaardigd, maar de
Administratie weigert "handgiften" ten beloop van ongeveer 2 miljoen
frank in aanmerking te nemen. De schoonvader van de bakker, tevens filiaalhouder
van een bank, had 22 stortingen gedaan op een spaarrekening van de dochter bij
diezelfde bank. Volgens de schoonvader was dit een voorschot op de erfenis om
zijn dochter alzo te helpen bij het bouwen van haar huis. Daar niets erop wees
dat de stortingen inderdaad voortkwamen van fondsen die de schoonvader bezat, en
niets erop wees dat het niet ging om fondsen die voortkwamen uit de dagelijkse
recette van de bakkerij, kon deze uitleg het Hof dan ook niet overtuigen. Aan de
bewijslast door de belastingplichtige was volgens het Hof niet voldaan. De raming van huishoudelijke uitgaven door loutere verwijzing naar de
gezinstoestand van de belastingplichtige vormt geen concreet element waaruit de
vaste, werkelijke gezinsuitgaven effectief kunnen worden afgeleid. Een bedrag dat aangegeven wordt als "huishoudelijke uitgaven en privé-voertuig
(gezin met één kind ten laste)" mag volgens de wet niet worden opgenomen
in een bericht van wijziging dat verstuurd werd naar aanleiding van een
indiciaire taxatie. Een dergelijke verklaring wordt niet beschouwd als een
rechtvaardiging, vermits het hier gaat om een willekeurig opgegeven bedrag,
zonder nadere uitleg. Waar artikel 341 W.l.B. 1992 toelaat de belastbare grondslag te ramen volgens
tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de
aangegeven inkomsten, toont dit op zichzelf geen vermoeden van kwade trouw aan. Een voorraad kan als tekenen en indiciën in aanmerking worden genomen, voor
zover de aankoop van deze goederen wordt vermeld op een listing die is bestemd
voor de B.T.W. In het kader van een taxatie op grond van tekenen en indiciën vroeg de
Administratie een Joegoslavische politiek vluchteling die in zijn land vervolgd
werd, een bedrag van meer dan 3 miljoen frank te rechtvaardigen. Dit bedrag
vertegenwoordigde geldoverdrachten vanuit het buitenland, meer bepaald deviezen,
munten en goud. Het Hof oordeelt dat de aard van de overdrachten naar België,
met name goud en munten, aanwijst dat die tegoeden afkomstig waren van een vorig
spaartegoed. Deze stelling wordt gestaafd met dossierstukken die bewijzen dat de
eiser in Joegoslavië belangrijke functies uitgeoefend had voor rekening van een
Belgische vennootschap en dat hij dus een aanzienlijk spaartegoed had kunnen
aanleggen in zijn eigen land. Rekening houdend met het fortuin dat de eiser in
zijn land van oorsprong heeft kunnen vormen, met de administratieve
moeilijkheden die hij ondervonden heeft bij de overdracht van zijn tegoeden naar
België, en met de aard en de omvang van de overdrachten die in verschillende
etappes moesten gebeuren, moet worden aanvaard dat zij niet voortkomen van
belastbare inkomsten in België. In een uitgebreid artikel bespreekt AFT de bewijsvoering en de mogelijkheden
tot verweer bij een indiciaire taxatie. Artikel 341 WIB 92 biedt de
Administratie de mogelijkheid om de belastbare grondslag te ramen van een
belastingplichtige wiens aangifte lagere inkomsten vermeldt dan deze waarop
diens levensstijl en maatschappelijke stand wijzen. Dit artikel houdt eveneens
het weerlegbaar vermoeden in dat deze hogere graad van gegoedheid afkomstig is
uit niet in de aangifte opgenomen belastbare inkomsten. Achtereenvolgens worden
in het artikel de volgende punten besproken : Wanneer de Administratie aantoont dat er in hoofde van de belastingplichtige
een indiciair tekort aanwezig is, is het aan de belastingplichtige om het
tegenbewijs te leveren. In casu roept de belastingplichtige in dat hij van zijn
in Amerika wonende rijke broer een handgift heeft ontvangen. En verder verwijt
hij de Administratie geen rekening te hebben gehouden met de spaarmogelijkheden
waarover hij in de vorige aanslagjaren beschikte. De belastingplichtige vindt
evenwel geen gehoor bij het Hof van Beroep. Buiten een verklaring van zijn
zogezegde rijke broer ( het Hof is niet overtuigd van diens rijkdom ), wordt
geen enkel bewijs geleverd dat dit geld ook effectief werd overgebracht naar een
bankrekening, of dat er een geldwissel gebeurde van dollars in Belgische
franken. Het feit dat het geld verkregen werd van de broer, sluit volgens het
Hof een welwillendheidsverklaring niet uit. Ook de spaarmogelijkheden zijn niet
relevant. Een tegenbewijs kan er enkel in bestaan dat wordt aangetoond dat op de
eerste dag van het betrokken belastbaar tijdperk de spaargelden werkelijk
aanwezig zijn. Een belastingplichtige ontving een algemene vragenlijst met het oog op een
"indiciair" onderzoek van zijn fiscale toestand. De belastingplichtige
had daar weliswaar op geantwoord, maar volgens de Administratie was zijn
antwoord "onvolledig" en bovendien was het niet ondertekend. Waarop
hij van ambtswee aangeslagen werd. In haar indiciaire afrekening neemt de Administratie zeer vaak een geraamd
bedrag op voor de kosten van levensonderhoud. De belastingplichtige heeft
gedurende de betrokken periode immers "geleefd", en daar staan dus
uitgaven tegenover, maar het is moeilijk het precieze bedrag daarvan vast te
stellen; vandaar dat een raming wordt gemaakt van deze kosten. Voor het Hof
betwistte een belastingplichtige de indiciaire afrekening, omdat hij de erin
opgenomen raming van de kosten van levensonderhoud (360.000,-F) willekeurig
vond. Het Hof herinnert eraan dat de tekenen en indiciën niet op een louter
vermoeden mogen steunen, maar het voorafgaande bewijs veronderstellen van
vaststaande feiten en elementen. Vermoedens zijn immers gevolgtrekkingen die
afgeleid worden uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
Wanneer de kosten van levensonderhoud worden geraamd, zonder enige vermelding
nopens de concrete levensstandaard en - omstandigheden, en zonder enig concreet
element aan te halen, dan is de raming volgens het Hof inderdaad willekeurig, en
mag in de indiciaire afrekening geen rekening worden gehouden met dit geraamde
bedrag. Niettemin vindt het Hof dat de indiciaire afrekening in casu toch kan
worden behouden, omdat de belastingplichtige immers zelf erkent dat de kosten
van levensonderhoud op 180.000,-F kunnen worden geraamd. Met dit laatste bedrag
wordt dan ook uiteindelijk rekening gehouden bij het vaststellen van de
belastbare grondslag. In een gelijkaardige zaak als vorige komt hetzelfde Hof tot een logischere en
juistere conclusie. Hier was geen sprake van een erkenning of akkoord over de
kosten van levensonderhoud. Het Hof herhaalt dat de tekenen en indiciën bestemd
zijn om een feitelijk vermoeden te vormen, zodat zij zelf niet mogen steunen op
een vermoeden. Bijgevolg moet een raming van kosten van levensonderhoud, die
niet op vaststaande en concrete elementen steunt, als willekeurig worden
beschouwd. Met als gevolg dat de aanslag willekeurig is en in zijn geheel moet
worden vernietigd. Een gepensioneerde belastingplichtige die een feitelijk gezin vormde met een
andere, had een kennisgeving van aanslag van ambtswege gekregen : de fiscus
achtte haar lage eigen vervangingsinkomsten onvoldoende om te voorzien in haar
levensonderhoud, zodat ze verondersteld werd nog diverse belastbare inkomsten te
genieten Maar haar partner beschikte over hoge inkomsten. Het Hof oordeelt dat
de taxatie arbitrair is door geen rekening te houden met het inkomen van het
feitelijk gezin om de vraag te beantwoorden hoe ze in haar levensonderhoud heeft
voorzien. Bedragen die worden ingeroepen als verantwoording van een indiciair tekort
mogen nog niet ingeroepen zijn in verband met een vorige aanslag die eveneens op
een indiciaire afrekening berustte. Behoudens tegenbewijs, mag de raming van de belastbare grondslag worden
gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid
blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. De indicie is een vaststaand gegeven dat
als basis dient voor het wettelijk vermoeden, zoals bepaald bij artikel 341 WIB
1992. Een indicie die slechts op een niet nader gepreciseerd vermoeden steunt,
kan niet als basis gelden om er een ander vermoeden op te steunen. Er kan niet
worden aangenomen dat de kosten van levensonderhoud in globo worden geraamd, ook
voor de uitgaven waarvoor wel bewijskrachtige gegevens voorhanden zijn. Het Hof stelt vast dat in het bericht van wijziging geen enkel feit of
concreet element wordt aangehaald (vb. huishuur, aankopen, bezit auto,
levensstandaard,...) waarop de opgave van het bedrag van het levensonderhoud in
een indiciaire afrekening gesteund is. Het enkel feit "geleefd" te
hebben tijdens de belastbare periode is volgens het Hof geen indicie. De aanslag
is bijgevolg nietig. In het kader van een indiciaire afrekening worden de kosten van
levensonderhoud in hoofde van de belastingplichtige geraamd op 600.000,-F. De
Administratie gaat daarbij enkel uit van het feit dat het gezin vijf personen
telt, zonder zich verder op concrete elementen of feiten te baseren. Deze raming
wordt verworpen door het Hof. De tekenen en indiciën die bedoeld zijn om
vermoedens te vormen, mogen immers zelf niet berusten op veronderstellingen of
mogelijkheden. De nietige raming heeft volgens het Hof evenwel niet de
nietigheid van de volledige aanslag tot gevolg; wel moet het bedrag van het
levensonderhoud uit de vermogensafrekening worden geweerd. Om een indiciair tekort te verantwoorden, had de belastingplichtige een
schenking van zijn ouders voor een bedrag van 350.000,-F ingeroepen. De
Administratie weigerde daar rekening mee te houden, omdat elk materieel spoor
van de overdracht ontbrak. Het Hof achtte de schenking wel bewezen. Ten eerste
bleken de ouders zelf vermogend genoeg te zijn om de giften te doen. En verder
kon uit het dossier worden afgeleid dat het geld contant werd ontvangen en
vervolgens op de rekening gezet, hetgeen de stortingen op de rekening van de
belastingplichtige verklaart. Het Hof is van oordeel dat er niet steeds bewijzen
zijn van giften tussen verwanten en de bijgebrachte stukken dus met "enige
soepelheid" beoordeeld moeten worden. Om een indiciair tekort te verantwoorden werd de schenking van een tante
ingeroepen als tegenbewijs. Maar spijts de tante de schenking bevestigde, dat
aangetoond werd dat de tante voldoende gefortuneerd was, dat een eerdere
schenking van de tante door de Administratie aanvaard werd, en dat haar vermogen
effectief daalde wilde het Hof de schenking dit keer niet aanvaarden als
tegenbewijs. Het betreft volgens het Hof allemaal positieve gegevens die evenwel
niet controleerbaar zijn. Dit arrest staat in schril contrast met het sub 107
besproken arrest. In dit arrest bevestigt het Hof echter wel dat een
belastingverhoging in geval van onjuiste of onvolledige aangifte niet kan worden
opgelegd in het kader van een taxatie op grond van tekenen en indiciën. Een tapijthandelaar wordt belast op basis van tekenen en indiciën. De
aangroei van zijn tapijtvoorraad wordt als indicie in aanmerking genomen. Het
argument van de handelaar als zou zijn broer de tapijten hebben betaald, wordt
door de Administratie, hierin gevolgd door het Hof van Beroep te Antwerpen,
verworpen. Uit de stukken zoals de aangifte met de verlies -en winstrekening, de
BTW-listing en de douanedocumenten blijkt immers dat er telkens sprake is van de
"aankoop" van tapijten door de belastingplichtige zelf en niet door
zijn broer. Op een ander vlak krijgt de tapijthandelaar wel gelijk. Met name dat
de belastingverhoging in zijn geval niet kan worden toegepast. Een
belastingverhoging kan worden opgelegd indien een aangifte onjuist of onvolledig
is. De Administratie moet daarvan het bewijs leveren. Het wettelijk ter
beschikking van de Administratie gestelde vermoeden (dat van de tekenen en
indiciën) is uitsluitend dienstig voor en mag uitsluitend aangewend worden ter
vaststelling van de belastbare grondslag. Dit bewijsmiddel heeft niet tot doel
het bewijs te leveren van het onjuist of onvolledig karakter van een aangifte.
Het is immers mogelijk dat de belastingplichtige correct alle belastbare
inkomsten heeft aangegeven zonder dat hij in staat is om het tegenbewijs te
leveren tegen de indiciaire afrekening. Het feit dat hij dit tegenbewijs niet
kan leveren, betekent dus geenszins dat de aangifte niet correct werd ingevuld.
Verder vermeld de Administratie ook niet om welke redenen de ingediende aangifte
onjuist of onvolledig zou zijn. De belastingverhoging is dus niet verantwoord. In Tips wordt een artikel gewijd aan de steeds meer door de Administratie
gehanteerde techniek van het indiciair afrekenen. Hierbij gaat de Administratie
de aangegeven inkomsten van een of meerdere jaren vergelijken met de uitgaven.
Bij hogere uitgaven dan inkomsten zal zij U dan ook om de nodige uitleg
verzoeken. Belangrijk hierbij is dat de Administratie de tekenen en indiciën
zelf moet opsommen en bewijzen. Het moet om vaststaande en bewezen feiten gaan
die niet mogen neerkomen op eenvoudige vermoedens. U kunt de tekenen en indiciën
weerleggen door te bewijzen dat de door de Administratie vastgestelde
"verdoken" inkomsten voortkomen uit een niet-belastbare bron zoals
vroeger aangegeven en reeds belaste inkomsten, gelden afkomstig van een erfenis,
schenking, lening of verkoop van vermogensbestanddelen. Het artikel wijst
eveneens op de gevaren van "zwartwassen van wit geld". Wanneer U
bijvoorbeeld een ontvangen erfenis niet aangeeft, om aldus geen successierechten
te moeten betalen, maakt U immers wit geld zwart. Een indiciaire afrekening die er zonder meer van uitgaat dat een gezin van
vijf personen (voor het aanslagjaar 1988) nood heeft gehad aan 750.000,-F voor
levensonderhoud, is willekeurig. De waardering van het bedrag van de
gezinsuitgaven moet immers gebeuren door rekening te houden met de concrete
omstandigheden waarin de belastingplichtige en zijn gezin leven en de uitgaven
deden. Dit bedrag moet geraamd worden aan de hand van feitelijke vermoedens,
waarbij wordt uitgegaan van vaststaande feiten. Een belastingplichtige wordt belast op grond van tekenen en indiciën. De
Administratie weerhoudt als één van de te verantwoorden uitgaven het
beroepsverlies dat de belastingplichtige in zijn aangifte had aangegeven.
Volgens de belastingplichtige kan dit beroepsverlies echter niet als een te
verantwoorden uitgave aanzien worden. Voorafgaandelijk wijst het Hof erop dat de
tekenen en indiciën die door de Administratie worden weerhouden zelf niet op
loutere vermoedens mogen steunen, maar noodzakelijk het voorafgaandelijk bewijs
veronderstellen van vaststaande feiten en concrete elementen. De indiciën die
de Administratie weerhoudt moeten bovendien wijzen op werkelijke uitgaven. In
casu is het Hof van oordeel dat het bedrag van het aangegeven beroepsverlies dat
de Administratie als een indicie heeft weerhouden niet aan deze voorwaarden
voldoet. Het Hof stelt daarbij dat aangezien een boekhoudkundig beroepsverlies
`het resultaat is van de door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening
uit te voeren bewerkingen' een dergelijk verlies niet noodzakelijk op werkelijk
gedane uitgaven wijst. Bij de vaststelling van een boekhoudkundig verlies wordt
immers niet enkel rekening gehouden met de effectief in het belastbaar tijdperk
of boekjaar gedragen uitgaven en kosten, maar worden eventueel ook de zekere en
vaststaande schulden in aanmerking genomen die nog niet werkelijk zijn betaald.
Een dergelijk verlies kan bij het opstellen van een vermogensafrekening dan ook
geen geldige indicie vormen. Dit alles doet het Hof besluiten dat de indiciaire
afrekening die de Administratie in casu had opgesteld niet op vaststaande
uitgaven was gebaseerd zodat het resultaat ervan willekeurig is. Een belastingplichtige wordt belast op basis van tekenen en indiciën. Als
voornaamste indicie geldt de bouw van zijn huis. Wegens het uitzonderlijk
karakter ervan, beweert de belastingplichtige dat deze uitgave enkel kan
voortkomen uit over vele jaren gespaarde gelden. Onjuist, repliceert het Hof.
Het bewijs door middel van tekenen en indiciën stelt een wettelijk vermoeden
in, dat de uitgaven die in een bepaald jaar werden gedaan, met belastbare
inkomsten werden gedaan. De aard van de uitgave houdt geen verband met de
oorsprong van het geïnvesteerde geld. Zij beïnvloedt evenmin de bewijslast van
de Administratie, die enkel moet aantonen dat de uitgave gebeurde en niet dat de
patrimoniale situatie aan het begin van het belastbaar tijdperk de investering
onmogelijk zou maken. In een antwoord op een parlementaire vraag bevestigt de Minister van Financiën
het standpunt dat de taxatiediensten in principe zelf het bewijs moeten leveren
van het bestaan van de tekenen en indiciën en dat ze de belastingplichtige in
de regel daarbij niet kunnen betrekken. Zie ook sub. 99. Toch verklaarde de
Minister dat het in de praktijk vaak wenselijk is dat de belastingplichtige
meewerkt aan het inzamelen van een aantal gegevens met betrekking tot zijn
vermogenstoestand. Een dergelijke tussenkomst zou de taxatiediensten immers
toelaten "meer objectieve en juiste berekeningen" te maken. Het
standpunt van de Minister blijft dus onduidelijk. Het volstaat niet dat de fiscus zich, voor een indiciaire aanslag, baseert op
statistische gegevens voor de berekening van de huishoudelijke kosten. Zij moet
rekening houden met de werkelijke en specifieke situatie van de
belastingplichtige. Bij een douanecontrole ontdekt men een beleggingsborderel voor 10 miljoen F, dat opgesteld werd in 1989. Bij het opmaken van haar indiciaire afrekening voor aanslagjaar I990, neemt de fiscus dat bedrag op als een te verantwoorden som. Het Hof is het met deze stelling echter niet eens, gezien de som van het beleggingsborderel een kapitaal betreft en slechts de intresten als een belastbaar inkomen kunnen aangemerkt worden ( en niet het volledige kapitaal ). Luik, 3 .4. 1996 - FA 96/45, blz. 11 - F 6 14, blz. 11 De bewezen incassering van 99.323 F coupons bij een Luxemburgse bank kan niet
zonder rneer leiden tot het weerhouden van een indicie van 823.000 F voor
aankoop van roerende waarden. Een indiciaire taxatie waarbij met die aankoop
rekening is gehouden, is bijgevolg voor het geheel door willekeur aangetast. Bij de taxatie van een indiciair tekort paste de Administratie een minimum
belastingverhoging van l 0 % toe. De belastingplichtige was het hier niet mee
eens. Het Hof gaf hem op dit punt gelijk. Volgens het Hof kan het wettelijk
vermoeden van een hogere graad van gegoedheid niet het bewijs leveren van een
onjuiste aangifte. Het bestaan van een indiciair tekort toont volgens het Hof
nog niet aan dat de aangifte onjuist of onvolledig is. Het is mogelijk dat een
belastingplichtige over niet belastbare tegoeden beschikt, maar dat er daarover
geen positieve of controleerbare stukken meer bestaan. Het Hof acht de opgelegde
verhoging strijdig met de bepalingen en omstandigheden waarvoor een
belastingverhoging wordt toegepast. Waar het voor het Hof blijkbaar op neer
komt, is dat een vermoeden geen bewijs is. De verhoging wordt dan ook
vernietigd. Een indiciair tekort wordt belast als een supplementaire nettowinst. Bij
ontvangst van het aanslagbiljet stelt de belastingplichtige vast dat de
taxatiediensten de belasting op het supplementair inkomen verhoogd hebben wegens
ontoereikende voorafbetalingen. De belastingplichtige is het hier niet mee eens.
Hij is van oordeel dat de belasting, verschuldigd op het indiciair tekort, niet
kan verhoogd worden wegens ontoereikende vooratbetalingen. De belastingplichtige
meent dat de Administratie niet zonder meer kan aannemen dat het indiciair
tekort een beroepsinkomen is. Het tekort zou enkel aanleiding kunnen geven tot
het belasten van een inkomen uit onbepaalde oorsprong. Maar ook in bezwaar wordt
de taxatie bevestigd. De belastingplichtige legt het probleem voor aan het Hof
van Beroep en wordt in het gelijk gesteld. De bestreden aanslag wordt verminderd
in de mate dat hij slaat op een vermeerdering wegens ontoereikende
vooratbetalingen. De Administratie stelde een indiciaire afrekening op voor een
belastingplichtige. Belangrijke bedragen hierin waren de kosten van
levensonderhoud en de afname van het debet van de rekening courant in een
vennootschap. De belastingplichtige roept in dat hij aandelen van zijn
vennootschap verkocht en legt als bewijs een verklaring van de koper voor.
Verder haalt hij aan dat hij gedurende jaren de mogelijkheid gehad heeft om te
sparen. De Administratie aanvaardt dit tegenbewijs niet bij gebrek aan positieve
en controleerbare gegevens. In beroep roept de belastingplichtige nog in dat het
levensonderhoud op een willekeurige wijze vastgesteld werd. En met succes, want
het Hof beaamt de willekeurige vaststelling van het levensonderhoud omdat de
administratie nagelaten heeft een raming te geven van de samenstellende delen
van de post "levensonderhoud" en slechts een globaal bedrag op deze
post geplakt heeft. Zie ook sub 106 en 111 . Verder heeft de Administratie ten
onrechte vermoed dat de vermindering van de rekening courant een indicie is voor
het betrokken inkomstenjaar. De belastingplichtige heeft jarenlang
beroepsinkomsten genoten, zodat volgens het Hofnaar redelijkheid aan te nemen is
dat hij door langdurig sparen de mogelijkheid heeft gehad om de uitgave tot
vermindering van de rekening courant te verantwoorden. De gedelgde schuld is
geen schuld van het betrokken inkomstenjaar zelf, maar werd over verschillende
jaren opgebouwd, wat anticiperend sparen mogelijk maakte. Bijgevolg had de
indiciaire afrekening over verschillende jaren moeten zijn opgemaakt. Het Hof
besluit dan ook dat de aanslag willekeurig is en vernietigd moet worden. De
vaststelling van de grondslag van de indiciaire afrekening is een globale raming
en is als één geheel te beschouwen. Een belastingplichtige wordt belast op een indiciair tekort, dat wordt
gekwalificeerd als inkomsten van werkende vennoot. Hij betwist die kwalificatie
omdat de vennootschap geen activiteiten meer uitoefende en in vereffening was
gesteld. Deze kwalificatie speelt echter geen rol omdat het vermoeden gevormd
door tekenen en indiciën een <<iuris tantum>> vermoeden is omtrent
de oorsprong van de bedragen die geacht worden voort te komen uit belastbare
inkomsten behaald tijdens het belastbaar tijdperk. Dat vermoeden werd niet
weerlegd Een belastingplichtige wordt op grond van de aankoop van een onroerend goed
belast op basis van tekenen en indiciën. Volgens de belastingplichtige mag zo'n
uitzonderlijke of eenmalige investering niet als een indicie worden beschouwd.
Bovendien zou het goed gekocht zijn met de opbrengsten uit de verkoop van gouden
munten. Volgens het Hof wordt op grond van art. 34 1 , WIB92, vermoed dat iedere
door de belastingplichtige gedane uitgave gefinancierd wordt door belastbare
inkomsten en dat alle door de belastingplichtige verkregen tegoeden belastbare
inkomsten uitmaken. Het is aan de belastingplichtige dit vermoeden te weerleggen
door aan te tonen dat de verkregen tegoeden afkomstig zijn van niet in de
inkomstenbelasting belastbare inkomsten of van inkomsten genoten in de vorige
belastbare tijdperken. Er wordt in deze zaak echter niet aangetoond dat de
gouden munten reeds tijdens de vorige tijdperken in het bezit waren van de
belastingplichtige of dat ze gekocht werden met niet-belastbare inkomsten.
Bijgevolg worden de munten eveneens geacht in het belastbare tijdperk te zijn
aangekocht. Bij gebrek aan tegenbewijs blijft de aanslag dus behouden. De verklaring van een oom van een belastingplichtige dat een som van 5.000 $
werd overhandigd, is een positief maar niet controleerbaar gegeven teneinde het
tegenbewijs te leveren bij een taxatie op basis van tekenen en indiciën. Er kan
immers niet worden nagegaan of de belastingplichtige er werkelijk over heeft
kunnen beschikken en hoe het bedrag in zijn bezit is gekomen. In een andere zaak
wordt een borderel waaruit de verkoop van obligaties tijdens het jaar blijkt,
ook niet als tegenbewijs aanvaard. Het borderel toont immers slechts aan dat de
obligaties verkocht zijn, niet dat de obligaties op t/1 van het belastbaar
tijdperk in het bezit van de belastingplichtige waren. Eens het bestaan van niet in de inkomstenbelastingen belastbare inkomsten of
inkomsten behaald in vorige belastbare tijdperken is bewezen, moet niet meer
worden bewezen dat die inkomsten ook daadwerkelijk zijn aangewend ter
financiering van de te verantwoorden uitgaven. Een pastoor, die een vereniging heeft opgericht, bouwt in eigen naam een
kapel en voert werken uit aan zijn woning. De belastingcontroleur vindt dit
verdacht en maakt een indiciaire afrekening. De pastoor beweert dat een groot
deel van de investeringen gefinancierd werd door giften. De controleur aanvaardt
echter alleen de giften gestaafd door bankuittreksels en niet de giften in baar
geld. De administratie, hierin gevolgd door het Hof, oordeelt dat de
ontvangstbewijzen van laatstgenoemde giften niet bewijskrachtig zijn en elkaar
zelfs tegenspreken. De indiciaire taxatie wordt bijgevolg behouden. Het Hof van Beroep oordeelt dat een geldopname in november 1987 ter verantwoording van een belegging in de periode van januari tot juni 1987, perfect kan. De belastingplichtige hoeft immers niet te bewijzen dat de door hem bewezen inkomsten ook werkelijk aangewend zijn om de te verantwoorden uitgaven te financieren. Gent, 29.5.1997 - FA 97/29, blz. 12 - F 665, blz. 10 Bij een douanecontrole wordt bij een belastingplichtige een
beleggingsborderel van 24.4.1989 voor 9 miljoen frank gevonden. De administratie
weerhoudt die som in het kader van een indiciaire taxatie als te verantwoorden
bedrag. Het Hof van Beroep echter stelt dat dit beleggingsborderel enkel kan
dienen voor de berekening van de interesten. Het Hof van Cassatie verbreekt dit
arrest omdat het het wettelijk vermoeden van artikel 34 1 ,WIB92 miskent. Het
kapitaal is dus wel degelijk een te verantwoorden indicie. In het kader van een indiciaire taxatie verantwoorden de ouders de aankoop
van een appartement met een gift die zij van hun zoon gekregen hadden. De zoon
bevestigt in een verklaring de schenking. De administratie weigert hiermee
rekening te houden en de ouders gaan in beroep. Het Hof van Beroep vindt de gift
geloofwaardig. Het bedrag van de gift is immers effectief van de bankrekening
van de zoon gegaan, op dezelfde dag van het verlijden van de aankoopakte. De
verklaring van de zoon vervolledigt het geheel. Er is dus een geheel van
gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens voorhanden dat de som ook
effectief naar de ouders is gegaan . Wanneer een diamantkoerier op Schiphol 100.000 gulden betaalt om een in
beslag genomen partij diamanten vrij te krijgen, krijgt hij van de administratie
een supplementaire aanslag op een indiciaire tekort van 1 .840.000 fr. De
koerier betwist deze aanslag en stelt dat hij de 100.000 gulden van een
onbekende opdrachtgever ontving en als onbezoldigd boodschapper handelde. Het
Hofvan Beroep stelt hem in het ongelijk. Er bleek immers ook uit de stukken dat
de som vanuit Zwitserland op zijn rekening in Nederland was gestort. Op basis van een douanecontrole, waarbij een belastingplichtige in het bezit
wordt gevonden van 350.000 fr., wordt hij belast op grond van tekenen en indiciën.
De taxatieambtenaar vermoedt dat de som van 350.000 fr. interesten van een
uitstaand kapitaal betreft, dat hij raamt op 5.000.000 fr. I Iet Hof stelt
echter dat de belastbare grondslag op willekeurige wijze werd vastgesteld, daar
tekenen en indiciën niet op vermoedens mogen gesteund zijn. Bovendien heeft de
ambtenaar de elementen niet aangeduid die hij in aanmerking heeft aangenomen te
bepaling van de kosten van levensonderhoud. Een belastingplichtige wordt onderworpen aan een indiciair onderzoek. De
aangegeven inkomsten voor de gecontroleerde periode volstaan niet om de uitgaven
van die periode te dekken. Bijgevolg vestigt de administratie aanvullende
aanslagen. Nadat het bezwaar wordt afgewezen, gaat de belastingplichtige in
beroep. Pas nadat het administratief dossier is neergelegd, legt de
belastingplichtige samen met zijn besluiten verkoopborderellen voor van de
verkoop van roerende waarden. Deze verkoop zou het indiciair tekort volledig
rechtvaardigen. Het Hof van Beroep weigert echter met deze stukken rekening te
houden en stelt dat ze niet als een deus ex machina pas in de loop van de
betwisting voor het Hof van Beroep kunnen worden voorgelegd. De
belastingplichtige had die stukken ook vroeger in de procedure kunnen voorleggen
en deze handelwijze wijst volgens het Hof op frauduleuze intenties. Volgens
Fiskale Koerier kan deze rechtspraak worden betwist. De belastingplichtige kan
ingevolge artikel 381, W.l.B.92, ook tijdens de beroepsfase bijkomende stukken
neerleggen. Indien de belastingplichtige de opgelegde termijn hiervoor
respecteert kan het Hof dan ook niet zomaar de voorgelegde rechtvaardiging
weren. Een belastingplichtige vond een bedrag van 240.000 fr. aan levensonderhoud in
het kader van een indiciaire afrekening overdreven, gezien hij samenwoonde met
zijn toekomstige echtgenote. Het Hof van Beroep geeft hem daarin gelijk en stelt
dat het inwonen bij ouders of toekomstige echtgenote inderdaad een
kostenbesparend effect heeft. De inkomsten van de toekomstige echtgenote moeten
dus in rekening gebracht worden ter verantwoording van het indiciair tekort, dat
bijgevolg wordt teruggebracht tot 100.000 fr. Met dit arrest wordt nog maar eens
bevestigd dat de beoordeling van de kosten van levensonderhoud altijd moet
gebeuren in functie van de concrete situatie. Een belastingplichtige ontvangt een bericht van aanslag van ambtswege waarbij
zijn belastbare inkomsten worden vastgesteld volgens tekenen en indiciën. Zijn
netto-inkomen wordt vastgesteld op 400.000 fr., een bedrag dat o.a. het
levensonderhoud, het onderhoud van de wagen en de huur bevat. De
belastingplichtige dient bezwaar in omdat de aanslag geen rekening houdt met de
werkelijke beroepskosten en de betaalde onderhoudsgelden, maar krijgt geen
gelijk omdat hij zijn werkelijke inkomsten niet kan bewijzen. Het Hof
daarentegen geeft de belastingplichtige gelijk. De administratie verantwoordt
immers niet de samenstelling van het bedrag van het levensonderhoud. De raming
die zij moet doen moet gedetailleerd zijn en gebaseerd zijn op concrete
elementen m.b.t. de levenswijze en de uitgaven van de belastingplichtige. De administratie neemt in een indiciaire afrekening een bedrag van 360.000
fr. levensonderhoud in aanmerking voor een gezin van vijf personen. Het Hof van
Beroep aanvaardt dit echter niet. De belastingplichtige moet immers vóór het
vestigen van de aanslag in kennis gesteld worden van de concrete en positieve
gegevens waarop het bedrag van levensonderhoud gesteund is. De administratie
heeft echter nooit verwezen naar de concrete leefomstandigheden, waardoor niet
aan bovenstaande voorwaarde voldaan is. De aanslag is dus willekeurig en moet
worden vernietigd. Een indiciaire afrekening bestaat gedeeltelijk uit boekhoudkundige gegevens
betreffende een inkomstenjaar waarvoor de aanslagtermijn is verstreken. De
aanslag die zich baseert op deze indiciaire afrekening moet worden vernietigd. De administratie vestigt op basis van bij een grenscontrole gevonden
bankbescheiden een indiciaire aanslag. De belastingplichtige gaat hiermee niet
akkoord. Hij stelt dat er geen categorie van inkomsten van onbepaalde oorsprong
bestaat, en dat die inkomsten dan ook niet door de administratie kunnen worden
belast. Het Hof van Beroep geeft hem echter ongelijk. Bij een taxatie op basis
van tekenen en indiciën is de administratie immers niet verplicht de oorsprong
van de verborgen inkomsten aan te duiden. Het bewijs door tekenen en indiciën
is een globale methode waaruit men kan besluiten dat de belastingplichtige een
hogere graad van gegoedheid heeft dan uit de aangegeven inkomsten blijkt. Bij
gebrek aan de mogelijkheid het tekort aan een inkomstencategorie toe te kennen,
wordt dit aan alle categorieën toegekend. Bovendien mag de administratie er van
uitgaan, bij gebrek aan tegenbewijs, dat de ontdekte sommen belastbare inkomsten
hebben voortgebracht. Een belastingplichtige levert het tegenbewijs voor een indiciair tekort. De
creditering van zijn rekening-courant gebeurde volgens hem met gelden geleend
van een bevriende Zwitserse vennootschap en hij legt de leningovereenkomst en
het document dat de overhandiging van de gelden bevestigt voor. Het Hof
vindt dit tegenbewijs echter onvoldoende en bevestigt de indiciaire aanslag. Een landbouwer beweert bij een indiciaire afrekening dat hij 200.000 fr. van
zijn moeder heeft gekregen om landbouwgrond te kopen en legt hiertoe een door
zijn moeder opgemaakt attest voor. De administratie aanvaardt dit niet. De
moeder heeft weliswaar een aantal jaren geleden 400.000 fr. geërfd, maar de
administratie gelooft niet dat zij dit geld nog heeft. Het Hof van Beroep geeft
de belastingplichtige gelijk. De vrouw is van 1896 en uit het landbouwersmilieu.
Het is volgens het Hofaannemelijk dat de vrouw dit geld in een `spaarkous' bij
zich hield om later te besteden aan het landbouwbedrijf. Het gebruik van
bankrekeningen was voor haar generatie nog een uitzondering; vele transacties,
zelfs belangrijke, gebeurden in baar geld. Het is bovendien niet ongebruikelijk
dat de vrouw dit geld aan haar zoon geeft en daar geen ontvangstbewijs voor
vraagt. Het Hof neemt ook aan dat de vrouw het geërfde geld nog kon hebben. Zij
woonde op het landbouwbedrijf en had nauwelijks kosten, ze had haar pensioen en
had een zuinige mentaliteit. De administratie kan huishoudelijke uitgaven gebruiken als ondersteuning van
een indiciaire taxatie en mag die uitgaven aantonen aan de hand van feitelijke
vermoedens. In deze zaak neemt de administratie echter 384.000 fr. in
aanmerking als bestaansminimum zonder het detail te leveren van de elementen
waarop ze dit bedrag baseert. De aanslag wordt vernietigd als zijnde
willekeurig. De administratie maakt voor een echtpaar voor het jaar van hun huwelijk een
gezamenlijke indiciaire afrekening. Voor het jaar van huwelijk worden de
echtgenoten echter nog als alleenstaanden afzonderlijk belast. De administratie
moet dus voor elk van de echtgenoten een afzonderlijke afrekening maken. Een Iraniër studeert in Brussel en koopt er een klein appartement. Hij heeft
echter geen eigen inkomsten en heeft pas drie jaar na de aankoop een lening
afgesloten. De administratie rekent hem een indiciair tekort aan ten belope van
de waarde van het appartement. De student beweert dat hij leeft van wat zijn
familie in Iran opstuurt en dat hij ook van hun geld het appartement heeft
gekocht. De student kan niet bewijzen dat het geld afkomstig is uit Iran. Dit is
echter onmogelijk, gezien de uitvoer van deviezen uit Iran op dat moment
verboden was. Hij heeft het geld via anonieme rekeningen in Duitsland en
Saoedi-Arabië ontvangen. Het prijsgeven van de identiteit van de persoon die
het geld gestort heeft, zou zijn familie in Iran in moeilijkheden kunnen
brengen. Het Hof aanvaardt dat het politieke regime in Iran een geval van
overmacht uitmaakt en dat hij dus niet belast mag worden op het indiciair
tekort. Een brief van de Iraanse ambassade over het uitvoerverbod en de
rekeninguittreksels van de anonieme stortingen worden als voldoende bewijs
beschouwd dat de student het geld van zijn familie in Iran heeft gekregen. Een echtpaar beweert ter staving van een indiciair tekort dat elk van beide
echtgenoten van zijn ouders een renteloze lening van 150.000 fr. heeft gekregen,
die ze naar best vermogen moeten terugbetalen. Zij kunnen de materiële
overdracht van die sommen niet bewijzen, maar ze leggen twee ondertekende
ontvangstbewijzen en bankuittreksels m.b.t. de terugbetaling voor. Het Hof
oordeelt dat de administratie niet aangetoond heeft dat de leningen geveinsd
zijn, en dat de leningen in aftrek moeten worden gebracht van het indiciair
tekort. De opsporingsdiensten van de douane zijn niet bevoegd tot het nemen van
kopies van bankuittreksels. Deze kopies moeten dan ook uit de debatten worden
geweerd. De raming van de kosten van levensonderhoud bij een indiciaire afrekening is
het onderwerp van talrijke betwistingen met de fiscus. In Tips wordt een
overzicht gegeven van de arresten in verband met deze materie. Daaruit blijkt
dat de administratie het bedrag voor levensonderhoud voldoende moet
specificeren. Indien dit niet gebeurd is, is de aanslag willekeurig. Het verminderen van een indiciair tekort met de aanvankelijk aangegeven en
belaste inkomsten is strijdig met het progressiviteitsbeginsel van de belasting.
De belasting moet gerekend worden op het totale indiciair tekort en de
verschuldigde belasting moet vervolgens worden verminderd, met de aanvankelijk
verschuldigde aanslag.
|
|
|