WETBOEK INKOMSTENBELASTINGEN '92

Art. 341
Taxatie volgens tekenen en indiciŽn

Behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciŽn waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Wanneer het tegenbewijs van de belastingplichtige betrekking heeft op verkopen van roerende waarden of andere financiŽle instrumenten die hij zich als belegging heeft aangeschaft, hebben de ingeroepen aankoop- of verkoop-borderellen of -documenten tegenover de administratie der directe belastingen slechts bewijskracht indien ze de vermelding "op naam" dragen en zijn opgesteld ten name van de belastingplichtige of van de personen van wie hij de rechthebbende is.

De belastingplichtige verantwoord een tekort op basis van tekenen en indiciŽn door een lening van een familielid. Belastingplichtige kan de ontvangst van de som echter niet bewijzen doch de ondertekende ontvangstbewijzen en de bankuittreksels inzake de terugbetaling van de lening zijn voldoende voor het Hof.   De administratie moet bewijzen dat de leningen geveinsd zouden zijn.
Anwerpen, 15/09/1998

Een vermogenstekort kan niet gerechtvaardigd worden door het inroepen van een lening, bekomen bij een inmiddels overleden oom uit Amerika, wanneer terzake geen enkel schriftelijk bewijs kan worden voorgelegd.
Brussel, 24.4.1990 - F 308, blz. 8

FinanciŽle steun van familieleden en het bezit van vroeger niet belastbare inkomsten worden door het Hof niet aangenomen, gezien terzake geen positieve en controleerbare bewijzen worden aangebracht. Bovendien gaat het Hof akkoord met het geraamd levensonderhoud (174.000 fr. voor een gezin van 2 personen).
Luik, 7.2.1990 - F 345, blz. 13 - B 705, blz. 1202

Een attest dat door een medespeler werd opgesteld en waaruit blijkt dat de belastingplichtige 1 mlj. heeft ontvangen uit de gezamenlijke winst van de lotto is een geldig bewijs m.b.t. de herkomst van de gelden. De administratie kan er de echtheid en de juistheid van nagaan.
Bergen, 16.3 . l 990 - FA 90/25bis - F 3 17, blz. 10

Het indiciair tekort dat voortvloeide uit de terugbetaling van het debetsaldo van de rekening-courant die de belastingplichtige had in zijn vennootschap, kan niet gerechtvaardigd worden door de voorlegging van niet voldoende bewijskrachtige stukken waaruit de verkoop van goud blijkt. Gezien nochtans betrokkene tijdens de voorbije 6 jaar belangrijke geldsommen heeft onttrokken aan zijn vennootschap (38 mlj.) kan aangenomen worden dat daarvan voldoende zal zijn overgebleven om voornoemde terugbetaling (9 mlj.) te rechtvaardigen.
Antwerpen, 26.3 . 1990 - FA 90/27 - F 33 1 , blz. 9

Uit de vaststelling van gekende feiten (gedane investeringen, de haast om loterijwinsten te beleggen en het beschikken over verschillende bankrekeningen waardoor kan getwijfeld worden omtrent het bestaan van liggende gelden) heeft de administratie terecht afgeleid dat er een hogere graad van gegoedheid was. Ofschoon slechts een jaar in betwisting werd gesteld, heeft de administratie terecht haar berekeningen gespreid over 2 jaar.
Brussel, 20.9.1988 - B 697, blz. 2423

Indien de belastingplichtige zich akkoord heeft verklaard met een indiciaire afrekening, evenwel met voorbehoud voor bepaalde elementen, dan moet nog steeds een bericht van wijziging worden verzonden wanneer deze elementen niet worden aangebracht.
Gent, 8.5.1990 - FA 90/38 - F 324, blz. 13

Het weerleggen van een vermogenstekort van 2 mlj. door middel van twee handgiften wordt als onjuist afgedaan, gezien de ene, een oom die 1 mlj. zou gegeven hebben, leefde met een pensioen van 14.000 fr., geen bankrekeningen of spaarboekjes bezat en geen eigenaar was van zijn woonhuis, en de andere, een brit die uit erkentelijkheid voor het gebruik van het appartement aan zee l mlj. zou gegeven hebben, aldaar niet was bekend en blijkbaar in de onmogelijkheid verkeerde dergelijke uitgaven te doen.
Brussel, 9. I 0. 1990 - F 324, blz. 5 - F 340, blz. 9 - B 7 14, blz. 906

Bij een grenscontrole aan de Belgisch-Luxemburgse grens ontdekte de douane bankdocumenten waaruit beleggingen in Luxemburg bleken. Op grond van de artikelen 242 en 243, W.l.B., werden deze "genoteerde" gegevens doorgespeeld naar de directe belastingen die een taxatie op grond van tekenen en indiciŽn doorvoerden. Het Hof ontlast die taxatie op grond van het feit dat er in het dossier geen copies berusten van de bankdocumenten. Een taxatie volgens tekenen en indiciŽn moet steunen op concrete feiten en niet op vermoedens.
Gent, 12.2.1991 - F 331, blz. 8 - FA 91/17, blz. 2 - ced 477.5 - F 368, blz. 13 - F 375, blz. 13

Is geen weerlegging van het vermoeden voortvloeiend uit een indiciair tekort, het aanhalen van vorige belastingaangiften en de eruit voortvloeiende opstelling van een positieve vermogensbalans. Dit laat de administratie niet toe de gegrondheid te controleren (het bezit van de overschotten wordt niet aangetoond).
Brussel, 5.2. 199 1 - FA 9 1/19 - ced 479.5

Het hof van beroep beoordeelt op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de feitelijke gegevens die de fiscus aanvoert als tekenen en indiciŽn waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt. Zij dient geen ander bewijs meer te leveren.
Cass. 4. 1 . 199 I - F 345, blz. 13 - B 7 12, blz. 28 1

Art. 247 verbiedt niet dat de belastbare grondslag van een belastbaar tijdperk wordt vastgesteld op grond van tekenen en indiciŽn die in een later jaar aan het licht komen.
Cass. 2. 11 . 1990 - F 345, blz. 13 - B 7 1 S, blz. 1180 - F 388, blz. 13

o.m. Op grond van de auto- en verplaatsingskosten wordt de belastingplichtige belast met toepassing van art. 247, W.l.B. Hij beweert dat zijn vriendin bijdraagt in die kosten. De rechter neemt aan dat dit kan maar aanvaardt dit gegeven niet omdat geen positieve en controleerbare gegevens worden voorgebracht.
Antwerpen, 26.6. I 990 - F 340, blz. 9 - B 704, blz. 875

Het gedurende verschillende jaren onproductief houden van een belangrijke geldsom wordt nog slechts uitzonderlijk geloofwaardig geacht.
Brussel, 5.6.1990 - F 340, blz. 9

Aan een dergelijke bewering wordt in geen geval geloof gehecht wanneer blijkt dat de belastingplichtige verschillende spaarrekeningen heeft waardoor hij er de voordelen en soepele mogelijkheden van kent. Antwerpen, 26.6.1990 - F 340, blz. 9 - B 704, blz. 875

Teneinde een indiciair tekort te rechtvaardigen beriep de belastingplichtige zich op een aantal onderhandse leningen die derden gestaafd met verklaringen van de beweerde geldschieters. Dit is geen af doend bewijs indien het niet wordt gestaafd met het bewijs van de werkelijk overdracht van de gelden. Teneinde de leningen te verwerpen moet de administratie niet noodzakelijk de valsheid van de verklaringen bewijzen daar zij een derde is t.a.v. de leningsovereenkomsten die haar worden tegengeworpen.
Brussel, 19.9.1989 - F 324, blz. 13 - B 699, blz. 3062

Het feit dat tijdens een bepaald belastbaar tijdperk voor 650.000 fr. kasbons werden aangekocht houdt op zichzelf niet in dat er een gelijk bedrag aan niet-aangegeven inkomsten zou zijn vastgesteld.
Gent, 15.5.1990 - F 324, blz. 13

Een aanslag kan geldig gevestigd worden op grond van tekenen en indiciŽn, zelfs al wordt maar ťťn indicie in aanmerking genomen (Cassatie, I 2.9. 196 1 en Cassatie, 30. 1 . 1962). In hetzelfde arrest wordt het geraamd levensonderhoud (150.000 fr.) bovenop de huurlasten, door het Hof aangenomen, gezien de belastingplichtige tevens beschikte over een voertuig.
Luik, 14.3 . 1990 - F 3 17, blz. 10

Het bankattest waaruit blijkt dat de belastingplichtige kasbons heeft verkocht, bewijst niet dat de effecten (die aan toonder zijn) effectief toebehoorden aan de belastingplichtige, noch dat zij voortkomen van inkomsten uit enig vroeger belastbaar tijdperk.
Luik, 14.3 . 1990 - F 3 17, blz. 10

Uit de bewoordingen van art. 247, W.l.B., blijkt dat deze wettelijke bepaling als bewijsmiddel voorbehouden is aan de administratie.
Cassatie, 22.3. 1990 - F 3 17, blz. 11

Nalatenschap
Het feit dat een handgift van de overleden moeder van de belastingplichtige werd aangegeven in een aanvullende aangifte in de nalatenschap, is op zichzelf nog geen bewijs dat de belastingplichtige die gift werkelijk heeft ontvangen tijdens of voor het belastbaar tijdperk waarvoor een indiciaire afrekening wordt gemaakt.
Gent, 11.12.1990 - F 348, blz. 12

De aanslag op grond van art. 247, W.l.B., is nietig wegens willekeur wanneer de taxatieambtenaar zich ertoe beperkt de kosten voor levensonderhoud te ramen zonder de elementen aan te geven waarop deze raming steunt. Een voor een vorig aanslagjaar gegeven akkoord m.b.t. het geraamd bedrag van het levensonderhoud, ontslaat de ambtenaar voor een volgend jaar niet om het geraamd levensonderhoud te motiveren.
Gent, 15.5.1990 - B 708, blz. 2050 - F 357, blz. 14

Met tekenen en indiciŽn worden feitelijke gegevens bedoeld die, tot tegenbewijs, een wettelijk vermoeden opleveren dat de daarmee gemoeide bedragen afkomstig zijn van belastbare inkomsten die tijdens het belastbaar tijdperk werden verkregen door de belastingplichtige. De kwijting van wissels m.b.t. gedane investeringen is een geldige indicie.
Cass. 1 .6. 1990 - B 708, blz. 2054 - F 357, blz. 14

De kosten van levensonderhoud voor het gezin van de belastingplichtige (geneesheer) dat 2 volwassen kinderen ten laste telt en er 2 personenwagens op na houdt, werd met matigheid bepaald op 500.000 fr.
Luik, 13.6.1990 - B 708, blz. 2061 - F 357, blz. I4

De weerlegging van een indiciair tekort door aan te voeren dat de te verantwoorden sommen voortkomen van de verkoop van een geŽrfd onroerend goed kan niet worden aangenomen wanneer die verkoop zich voordeed tijdens een vorig belastbaar tijdperk en bij het ingaan van de indiciaire periode niet kan worden aangetoond dat de genoten opbrengst nog steeds in het bezit was.
Luik, 13.6.1990 - B 798, blz. 2061 - F 357, blz. 14

Voor zover wordt aangenomen dat er effectiefeen handgift is geweest, komt het niet aannemelijk voor dat een som van 400.000 fr. gedurende meer dan ťťn jaar niet werd belegd. De bewering dat administratieve beslommeringen en het lang aanslepen van de bouwwerken daarvan de oorzaak zijn, is niet relevant.  Voornoemde som, voor zover de handgift heeft plaatsgehad, werd vermengd met de andere spaartegoeden en aangezien met de afname ervan rekening werd gehouden, wordt de eis van appellant afgewezen.
Gent, 5.6.1990 - B 709, blz. 2308 - F 368, blz. 13

Wanneer voor het weerhouden bedrag aan levensonderhoud wordt verwezen naar de OCMW-wet waarin het gedeelte van de inkomsten wordt vermeld dat niet vatbaar is voor beslag om een terugbetaling te bekomen van de geleverde prestaties, dan is het weerhouden levensonderhoud voldoende gemotiveerd en bewezen. De raming steunt immers op gecontroleerde en betrouwbare gegevens.
Luik, 26.6.1991 - FA 92/6 - ced 502.4

Het weerhouden levensonderhoud kan niet betwist worden door oncontroleerbare gegevens naar voor te brengen, zoals het feit dat men een groententuintje heeft en dat er besparingen zijn op kledij.
Luik, 17.4.1991 - F 375, blz. 13 - B 717, blz. 1641

Voor verrichtingen vanaf 1.1.1991 zijn aankoop- en verkoopborderellen m.b.t. de aan- of verkoop van roerende waarden of andere financiŽle instrumenten, nog enkel tegenstelbaar aan de administratie mits zij de vermelding "op naam" dragen en op naam van de belastingplichtige of zijn rechthebbende zijn gesteld.  Volgens de adm. circ. zal het indiciair onderzoek zich niet beperken tot het nagaan of de ingeroepen documenten al dan niet op naam zijn gesteld. Er zal tevens worden nagegaan of de inroeper wel degelijk eigenaar was van de waarden. Enkel de erfgenamen in rechte lijn zijn gerechtigd zich te beroepen op borderellen, enz..., gesteld op naam van de erflater.
Circ. nr. Ci RH 841/435641 dd. 9.3.1992 - F 3'77, blz. 4 - B 716, blz. 1350 - ced 526.2 - FA 92/32, blz. S

Naar aanleiding van het ontdekken door de douane van een som van 3.500.000 fr., uitbetaald door een Luxemburgse bank, werd door de adm. der dir. bel. een aanslag gevestigd op grond van art. 247, W.l.B. Het gebruik door de adm. van deze vanwege de douane verkregen inlichtingen is terecht, gezien de douane binnen haar opdracht deze inlichtingen heeft verkregen... er bleken immers 8 sloffen sigaretten frauduleus te zijn ingevoerd (ondertekende "acte de soumission").
Antwerpen, 16.3 . 1992 - F 383, blz. 6 - FA 92/32bis, blz. 12 - F 40 1 , blz. 14

Weerhouden tekenen en indiciŽn mogen niet steunen op eenvoudige vermoedens, maar moeten steunen op concrete gegevens.
Antwerpen, 24.6 . 199 1 - F 3 8 1 , blz. 11

Wanneer financiŽle hulp wordt ingeroepen, dient deze bewezen te worden, zelfs wanneer die kwam van familieleden. Indien verklaringen worden voorgelegd waarin de leninggevers niet verklaren dat zij de som contant hebben betaald, dan moet de ter beschikkingstelling blijken uit bankdocumenten.
Luik, 20. 12. 1989 - F 3 8 I , blz. 11 - B 7 12, blz. 233

Een winst behaald bij de PMU vormt slechts een afdoend tegenbewijs wanneer de werkelijke ontvangst wordt aangetoond met controleerbare gegevens. Een verklaring van een derde die de winst voor rekening van de belastingplichtige zou hebben geÔnd is niet voldoende.
Luik, 19.12.1990 - F 381, blz. 11 - B 712, blz. 278

De administratie moet de valsheid van voorgelegde verklaringen niet bewijzen. Het volstaat dat zij eist dat de belastingplichtige door middel van concrete elementen (bv. voorlegging bankuittreksel) bewijst dat hij bepaalde sommen heeft gekregen van zijn toekomstige schoonvader en van zijn verloofde. Indien de belastingplichtige terzake in gebreke blijft, dan wordt terecht geen rekening gehouden met die sommen, temeer gezien niet kan worden aangenomen dat onderlegde personen (zoals de verloofde die onderwijzeres is), die gelden thuis contant bewaren zonder ze interesten te laten opbrengen (350.000 fr. en 125.000 fr.)
Luik, 13.3.1991 - B 7I5, blz. 1199 - F 388, blz. 13

Ter rechtvaardiging van een indiciair tekort roept een vastgoedhandelaar een bedrag van 2 mlj. in liquiditeiten in. De rechtbank aanvaardt dit niet, gezien niet kan aangenomen worden dat een vastgoedhandelaar zal verzaken aan interest-opbrengsten, terwijl hij over een bankrekening beschikt waarop hij het geld had kunnen plaatsen, al ware het maar om verlies of diefstal te voorkomen.
Brussel, 17. I . 1992 - FA 92/2 I , blz. 12

Elke vorm van belegging wijst erop dat de belastingplichtige over de nodige middelen beschikt om de uitgave te financieren, zodat, behoudens tegenbewijs, mag worden aangenomen dat hij deze middelen heeft behaald in de belastbare periode. Een lening en een schenking van de schoonvader komen niet als rechtvaardiging in aanmerking, gezien noch van de overdracht van de gelden, noch van de afname ervan door de beweerde schenker, noch van de ontvangst en de besteding ervan door de eiser enig stuk werd voorgelegd, terwijl het volkomen onaannemelijk is dat zowel de schenker als eiser - beiden handelaars - dergelijke belangrijke bedragen onproductief zouden hebben bewaard.
Bovendien werden noch de schenking, noch de lening vermeld in de aangifte van de nalatenschap van de vooroverleden echtgenote van de schenker. De lening werd slechts vermeld in een bijvoeglijke aangifte, opgemaakt na het ontstaan van de huidige betwisting. Het feit dat de verschuldigde successierechten werden betaald, zowel op de beweerde lening als op de beweerde schenking, kan de realiteit ervan niet bewijzen. De vestiging van de successierechten steunt op een aangifte, terwijl eiser het tegenbewijs moet leveren aan de hand van positieve en controleerbare gegevens.
Gent, 29. I 1 . 1988 en Cassatie 7. 12. 1990 - B 7 19, blz. 2267 - F 40 1 , blz. 13

De raming van het levensonderhoud, vastgesteld op gemiddeld iets minder dan 20.000 fr. per maand, is zeer gematigd rekening houdend met het feit dat rekwirante, die een bar uitbaat, gedurende de betwiste periode beschikte over een voertuig en haar banktegoed zag aangroeien, zeker daar het hoogst onwaarschijnlijk is dat rekwirante, die personeel kan vergoeden, de taksen op de diensters alsmede de hoge taks op haar privť-club kan betalen en die over geen spaargelden beschikte, zich tevreden zou stellen met belastbare inkomsten die gelijk zijn aan of lager dan het levensminimum of een zelfstandigenpensioen, die slechts eer armzalige levenswijze toelaten indien men niet over spaargelden beschikt.
Brussel, I 3 .2. 1990 - B 720, blz. 2702 - F 406, blz. 1 I

De winsten uit paardenwedrennen worden niet aangenomen als rechtvaardiging, aangezien de voorgelegde bewijsstukken de inzetten van de belastingplichtige niet vermelden, de boekhouding van het kantoor dat de bewijsstukken opstelde geen enkele aanwijzing bevat nopens de identiteit van de winnaars en de bedragen van de inzetten en bovendien flagrante tegenstrijdigheden de kwade trouw van ťťn van auteurs van die bewijsstukken (verklaringen) aantonen, waardoor hen elke bewijskracht wordt ontnomen.
Bergen, 18.5.1990 - B 720, blz. 2706 - F 406, blz. 11

Een belastingplichtige die werd belast op grond van tekenen en indiciŽn stelde dat men geen rekening had gehouden met het feit dat hij lid was van een feitelijke vereniging en dat de in aanmerking genomen lasten dan ook onder de leden moesten worden verdeeld. Gezien betrokkene de enige eigenaar was van het onroerend goed en de hypothecaire lening op zijn naam was gesteld, beschouwd het Hof dat hij de enige is die de lasten heeft gedragen. De voorziening wordt afgewezen.
Bergen, 8.5.1992 - FA 93/4

Een belastingplichtige die gedurende jaren geen aangiften indiende werd voor een bepaald aanslagjaar ambtshalve belast op een levensonderhoud van 400.000 fr. Betrokkene beweert dat die aanslag willekeurig is, gezien het belast bedrag niet becijferd is en hij niet kan bewijzen hoeveel zijn inkomsten bedragen (tegenbewijs) gezien hij leeft op kosten van zijn echtgenote in Duitsland en geen inkomsten heeft. Alhoewel het feit dat betrokkene geleefd heeft op zichzelf een indicie is, laat die indicie niet toe te bepalen hoeveel de belastingplichtige tijdens het belastbaar tijdperk nodig had om in zijn levensonderhoud te voorzien. Gezien de adm. het belast bedrag niet afdoende verantwoordt, wordt de aanslag vernietigd.
Antwerpen, l 6. 11 . 1992 - ced 556.8 - F 429, blz. 12

De raming van het levensonderhoud op 300.000 fr. voor een gezin van 4 personen is redelijk en gematigd in verhouding met het bedrag waaronder het OCMW niet gerechtigd is om enige terugbetaling te eisen van een Ioontrekker, te weten 250.000 fr. + 50.000 fr. per persoon ten laste. lndien belastingplichtige zich wenst te beroepen op vroegere spaargelden die werden bewaard in een brandkast (wat zeer eigenaardig overkomt voor iemand die over bankrekeningen beschikt), dan moet hij daarvan het bewijs leveren.
Luik, 23 . 10. 199 1 - B 72 1 , blz. 3032

Geval waarin een schenking van 700.000 fr. van de meter van de belastingplichtige niet als verantwoording wordt aangenomen voor het indiciair tekort dat o.m. voortvloeit uit de aangroei van de lopende rekening van betrokkene, gezien het geschonken bedrag slechts in zes keer tussen 8.8 en 28.10 op de lopende rekening werd gestort, gezien de verre familiale band (tante-meter) en het feit dat er tegenstrijdigheid is m.b.t. de datum van de schenking.
Brussel, 23.4.1991 - B 723, blz. 77

Geval waarin een financiŽle bijstand van de broer van de belastingplichtige, die zelfstandige is, niet wordt aangenomen, gezien een zelfstandige mag geacht worden terzake bewijsstukken te zullen creŽren. Bovendien wordt een gift van de vader van betrokkene niet aangenomen, gezien het geld enerzijds van een spaarboekje werd afgehaald in het jaar I , terwijl de handgifte werd gedaan in twee fasen tijdens het jaar 1 en het jaar 2. Bovendien acht het Hof de schatting van het levensonderhoud redelijk en wordt de verkoop van kasbons niet aangenomen, gezien niet wordt bewezen dat de belastingplichtige de werkelijke verkoper is.
Brussel, 24.9.1991 - B 723, blz. 81

De administratie belastte een belastingplichtige op grond van een indiciaire afrekening over de maanden januari t/m oktober, waarbij ze de aangegeven inkomsten voor de maanden november en december telde. Volgens het Hofmoet een indiciaire afrekening worden opgesteld voor een volledig kalenderjaar en niet voor een deel ervan... zeer betwistbaar arrest.
Gent, 4.2.1993 - FA 93/15, blz. 4

Aansluitend op sub 27 verklaart de Minister dat bij gebrek aan documenten die op naam zijn gesteld, de belastingplichtige steeds met andere bewijsmiddelen het bezit en de verkoop van roerende waarden of financiŽle instrumenten mag aantonen.
P.V. 5.2.1993 - F 425, blz. 2 - FK 93/9, blz. 414 - FN 93/10, blz. 8 - B 728, blz. 1706

De echtgenote beweerde, ter weerlegging van een indiciair tekort voor het inkomstenjaar 1980, in 1977, ter gelegenheid van de feitelijke scheiding, 400.000 fr. te hebben ontvreemd van haar ex, iets wat werd gestaafd door middel van een toen geopend strafdossier wegens diefstal dat werd geseponeerd, gezien diefstal tussen echtgenoten niet strafbaar is. Niettemin verwerpt het Hof dit bedrag als rechtvaardiging gezien niet wordt aangetoond dat dit bedrag nog steeds aanwezig was bij het begin van het belastbaar tijdperk 1980 (de vrouw had het bedrag bewaard in een kast).
Gent, 18.2.1993 - FA 93/17, blz. 7

Het vermoeden gevormd door tekenen en indiciŽn is een wettelijk vermoeden; d.w.z. dat de sommen waarop zij slaan worden vermoed, tot het tegenbewijs, voort te komen van inkomsten verworven tijdens het beschouwde belastbare tijdperk en in de uitoefening van de beroepsactiviteit van de belastingplichtige. Door te beweren dat de geleende sommen cash werden aangehouden, wordt dit tegenbewijs niet geleverd wanneer blijkt dat betrokkene beschikt over een spaarboekje en meerdere financiŽle rekeningen.
Luik, 2 1 .2. I 990 - B 726, blz. 8 17

Het feit dat de spaarboekjes van de vader van verzoeker werden leeggehaald 4 dagen voor het overlijden van betrokkene, gevoegd bij het feit dat deze datum niet overeenstemt met enige belangrijke uitgave die appellant moest doen, noch met een merkelijk binnenkomen van fondsen in zijn patrimonium, maakt de stelling volgens dewelke deze opvragingen bestemd waren voor een handgifte in hun voordeel onwaarschijnlijk.
Brussel, 12. 11 . I 99 1 - B 726, blz. 836

Er kan moeilijk aanvaard worden dat appellante, die als handelaarster moest beschikken over een postcheque- of bankrekening, sedert oktober 1966 geen bankrekening meer zou hebben gehad en bijgevolg gedurende een lange periode belangrijke bedragen onder zich zou hebben gehouden. Betrokkene blijft derhalve in gebreke om aan de hand van positieve en controleerbare gegevens het vereiste tegenbewijs te leveren.
Antwerpen, 16.3.1992 - B 726, blz. 856

De bewering dat de familie voorziet in het levensonderhoud van appellant, nu zijn zaak failliet werd verklaard, levert geen tegenbewijs dat betrokkene geen belastbare inkomsten heeft genoten. De adm. stelt terecht dat de in aanmerking genomen kosten voor levensonderhoud in de indiciaire taxatie matig werden begroot en dat het faillissement niet verhindert dat appellant toch nog inkomsten verwerft.
Gent, 26.5. 1992 - B 726, blz. 870

Een niet-gehuwde dame werd voor de aanslagjaren 1984 en 1985 getaxeerd op grond van tekenen en indiciŽn. In haar verweer stelde zij dat ze samenwoonde met een man die in haar levensonderhoud voorzag. Daarop vroeg de adm. het positieve bewijs van dit samenwonen. De dame stelde dat dit een inbreuk was op haar privacy en dergelijk bewijs trouwens nooit wordt gevraagd van gehuwden. Volgens het Hof hoeft dit niet gevraagd te worden van gehuwden, gezien zij wettelijk verplicht zijn tot samenwonen. Het Hof vindt bovendien dat de adm. terecht het positieve bewijs vroeg van samenwonen, teneinde gehuwden en samenwonende ongehuwden op dezelfde voet van gelijkheid te kunnen behandelen. De voorziening werd afgewezen.
Antwerpen, 22.2. 1993 - FA 93/2 1 , blz. 4

Een landbouwer, belast volgens het barema, werd uiteindelijk getaxeerd op grond van tekenen en indiciŽn en stelde dat de adm. niet gerechtigd was hem als dusdanig te belasten, gezien het forfait leidt tot een wiskundig gemiddelde. Ten onrechte vindt het Hof. Gezien geen formeel tegenbewijs wordt geleverd t.a.v. de doorgevoerde taxatie wordt de aanslag bevestigd.
Gent, 18.3 . 1993 - ced 567.5 - FA 93/3 1 , blz. 10

Wanneer twee belastingplichtigen samenwonen, dan dient bij het opmaken van een indiciaire afrekening in hoofde van ťťn van beiden ofwel rekening te worden gehouden met een gedeelte van het aangegeven inkomen van de andere, ofwel het in aanmerking genomen levensonderhoud te worden verminderd met de inbreng in het gemeenschappelijk levensonderhoud van de andere.
Brussel, 26.6. 1992 - F 429, blz. 12

Is geen weerlegging van het wettelijk vermoeden van een indiciair tekort, de bewering als zouden bepaalde uitgaven gefinancierd zijn geweest met spaargelden die in een bankkluis werden bewaard. Het feit dat de belastingplichtige kan sparen is op zichzelf geen bewijs dat effectief werd gespaard.
Bergen, 20.3 . 1992 - F 429, blz. 13

Het bestaan van tekenen en indiciŽn als wettelijk vermoeden kan niet zomaar worden afgeleid uit de verklaringen die een derde heeft afgelegd tijdens een strafonderzoek. Dergelijke verklaringen kunnen hoogstens een te verifiŽren feit uitmaken.
Antwerpen, 7.9. 1992 - F 434, blz. 13

Een belastingplichtige kocht in 1984 een pleziervaartuig. Op de vraag vanwaar de geldmiddelen kwamen, antwoordt hij dat deze aankoop werd gefinancierd met gelden die tijdens de vorige jaren werden gespaard. Hij toont aan dat hij enkele dagen voor de aankoop een som geld, gelijk aan de aankoopprijs had gestort op zijn bankrekening. Daarnaast toont hij aan dat hij tijdens de vorige jaren minstens over eenzelfde bedrag kon beschikken (blijkt uit de voorgelegde financiŽle verrichtingen). De adm. weigert deze verantwoording. Ten onrechte vindt het Hof. De belastingplichtige is er volgens het Hof in geslaagd om aan de hand van positieve en controleerbare gegevens het bestaan van de rechtvaardigingselementen aan te tonen. Het aantonen van het bestaan van de verantwoordingselementen is voldoende. Er kan niet geŽist worden dat ook wordt aangetoond dat de middelen ook werkelijk voor de aankoop werden gebruikt (cassatie, 5.9.1986 : FJF 87, nr. 87/81).  Bijgevolg volgt het Hof de redenering van de adm. niet als dat de middelen effectief dienen aanwezig te zijn bij het begin van het belastbaar tijdperk. Bovendien negeert het Hof het feit dat betrokkene voorheen nooit geen opbrengsten van zogenaamde beschikbare geldmiddelen heeft aangegeven.
Antwerpen, 22 .3 . 1993 - FK 93/ 12, blz. 49 1

De loutere aanvoering van spaarmogelijkheden volstaan op zichzelf niet om de oorsprong van de middelen te verantwoorden. De loutere bewering als zouden de middelen improductief thuis in een brandkast zijn bewaard is ongeloofwaardig, aangezien de belastingplichtige zijn loopbaan heeft beŽindigd als boekhouder-fiskaal adviseur en zowel een bankrekening als een spaarboekje bezit.
Luik, 16.10.1991 - B 723, blz. 94

Het indiciair tekort wordt niet verantwoord door een geschreven verklaring van de schenkers en de zuster van appellant betreffende 2 handgiften van elk 1OO.OOOfr. nu het om relatief grote bedragen gaat, het onwaarschijnlijk is dat de schenkers, 2 bejaarde personen, genoemde bedragen in gereed geld voorhanden hebben, hun inkomsten overigens zeer beperkt zijn. Appellanten zijn ten onrechte van oordeel dat het aan de Staat behoort de valsheid van de voorgebrachte verklaringen aan te tonen.
Antwerpen, 16. 12. 199 1 - B 7?3 , blz. 117

Er is geen reden om aan de echtheid van de leningen onder familieleden te twijfelen, nu appellanten drie door de ontleners ondertekende onderhandse akten van leningen voorleggen en er bovendien wordt aangetoond dat op het ogenblik van het aangaan van de beweerde leningen tal van uitgaven werden verricht of stortingen werden uitgevoerd op hun bankrekening. Tenslotte brengen appellanten tal van documenten voor waaruit blijkt dat de aangegane leningen op regelmatige tijdstippen werden terugbetaald.
Antwerpen, 6.4. 1992 - B 729, blz. 1843

Ter rechtvaardiging van een indiciair tekort roept de belastingplichtige 2 leningen in, ontvangen van zijn vader voor een totaal bedrag van 1 mlj. Hiertoe legt hij voor : 2 onderhandse overeenkomsten, 2 verklaringen van zijn vader die bevestigt hem de sommen van 750.000 fr. en 250.000 fr. te hebben overhandigd en 4 verklaringen van getuigen die beweren een gesprek te hebben gehoord tussen belastingplichtige en zijn vader over deze zaak, alhoewel deze getuigen niet aanwezig waren bij de overhandiging van die fondsen. De voorgelegde stukken zijn niettemin onvoldoende om de werkelijkheid van de leningen aan te tonen omdat enerzijds het controleerbaar karakter ontbreekt en, anderzijds het forfaitair karakter van de taxatie van de inkomsten van de vader niet toelaat uit te maken of deze in staat was dergelijke belangrijke sommen te geven aan zijn zoon.
Bergen, 29. 11 . 199 1 - B 725, blz. 576

In hoofde van een belastingplichtige, die o.m. een voorschot van zijn boekhouder van 600.000 fr. inriep  alsmede een afname door zijn kinderen van hun lopende rekening bij zijn vennootschap waarin hij zelf een lopende rekening had, werd een indiciaire afrekening gemaakt tot op het tijdstip van een bepaalde belangrijke uitgave, waarbij slechts 10 maanden bezoldigingen uit de vennootschap als rechtvaardiging werden weerhouden. Het Hof aanvaardt het voorschot van de boekhouder niet, evenmin als de afname van de lopende rekening door de kinderen. Wel stelt het Hof dat de vermogensafrekening dient gemaakt te worden over minstens 12 maanden en bijgevolg alle inkomsten en uitgaven van het jaar dienen in aanmerking te worden genomen (zie ook Cass. 5.9.1986).
Gent, 4.4.1993 - Tips, 93/20, blz. 7

De gezinsuitgaven vormen een indicie van het bestaan van inkomsten en kunnen samen met andere bewijskrachtige elementen dienen voor het ramen van de belastbare grondslag volgens art. 247. De adm. kan het bedrag ervan vaststellen op grond van feitelijke vermoedens (art. 246, W.l.B.).
Luik, 26.5. I 993 - FA 93/3 1 , blz. 10 - FN 94/3, blz. 7

Een belastingplichtige werd van ambtswege belast op de door hem betaalde huur voor zijn private woning x 3. Voor het Hof stelde hij dat de aanslag willekeurig was en bovendien, dat zijn vennootschappen (drankgelegenheden) in 1981 failliet werden verklaard zodat het aannemelijk is dat hij in 1980 geen winst meer heeft gehaald. De adm. werpt voor het Hof de handdoek in de ring. Het Hof vindt het trouwens eveneens arbitrair om in de gegeven omstandigheden dergelijke aanslag te vestigen.
Brussel, 27.5. 1993 - ced 589.7

Een aanslag die gebaseerd is op ťťn enkele indicie van welstand (nl. de uitgaven van het gezin, vastgesteld  door feitelijke vermoedens) vormt voor het Hof noch een willekeurige taxatie, noch een taxatie op grond van vermoedens op vermoedens.
Luik, 30.6.1993 - FA 93/36, blz. I 1

De aanslag op grond van tekenen en indiciŽn - met name : inlichtingen verkregen van de douanediensten die in de handtas van de echtgenote een document hadden gevonden met becijferingen op voor een totaal bedrag van 1,8 mlj. - wordt vernietigd, gezien de becijferingen op het document helemaal niet aantonen dat betrokkenen bedoeld bedrag in Luxemburg zouden hebben belegd en de douane trouwens buiten de haar toegekende bevoegdheden in het bezit was gekomen van dit document (er was immers geen vermoeden van frauduleuze invoer, zodat een handtascontrole niet kon worden uitgevoerd).
Antwerpen, 14.9.1993 - ced 592.4 - F 482, blz. 12

Meer en meer gaat de fiscus het levensonderhoud dat zij in aanmerking neemt bij een indiciaire afrekening, gedetailleerd weergeven, zoals bv.

Kleding : 4 x 25.000 = 100.000
Ontspanning : 52 weken x 200 fr.x 4 =

41.600

Voeding : 52 weken x 250fr.x 4 =

52.000

Onderhoud woning ofwerkelijke huur

40.000

Electriciteit

50.000

Verwarming

30.000

Reizen, enz..

60.000

Gemeentebelastingen

25.000

Water

5.000

Farmaceutische produkten 4 x l00x 52 weken

20.800

Kosten wagen

120.000

Zodoende legt de adm. de bal in het kamp van de belastingplichtige die het tegendeel moet bewijzen per weerhouden kostenpost.
Tips, 94/2, blz. 7

Een zaakvoerder van een vennootschap zuivert met privť-gelden zijn debetstand op lopende rekening in de vennootschap aan. De adm. weerhoudt deze aanzuivering als een indicie. Belastingplichtige beweert dat het feit van de afnamen voldoende verantwoordt van waar de gelden komen waarmee de debetstand werd aangezuiverd. De adm. wil dit aanvaarden op voorwaarde dat de belastingplichtige inzage geeft van zijn private bankrekeningen, wat hij weigert. Het Hof volgt de redenering van de belastingplichtige en stelt dat niet kan worden verwacht dat betrokkene een volledige historiek geeft van zijn beleggingen en opnemingen.
Daarbij speelt het geen rol of betrokkene de fondsen die hij als rechtvaardiging inroept cash heeft bewaard, dan wel op een bankrekening. Het volstaat dat de belastingplichtige het bestaan van de middelen aantoont.
Antwerpen, 11 . 1 . 1994 - FK 94/5, blz. 23 1

Het Hof besluit dat het levensonderhoud willekeurig werd bepaald (enig gegeven waarop de taxatie steunde), aangezien daartoe van geen enkel concreet feitelijk element werd uitgegaan en het louter feit dat de belastingplichtige en zijn gezin tijdens een bepaalde periode geleefd hebben, anderzijds geen rechtsgeldige indicie kan opleveren. Met het algemeen bekend feit dat bij de joodse gelovigen een grote solidariteit bestaat, dient de adm. in het gegeven geval rekening te houden.
Antwerpen, 2 1 .9. 1993 - FN 94/10, blz. 3 - F 489, blz. 13

Volgens het Hof werd ten onrechte geen rekening gehouden met een handgifte die werd verkregen van de toekomstige schoonmoeder, gezien deze bewezen werd aan de hand van een bankuittreksel en een verklaring opgesteld twee dagen na de opname bij de bank waarin werd gesteld dat deze handgifte werd aangewend om het resterend bedrag van de aankoop van een onroerend goed re bekostigen. Een andere verklaring m.b.t. een handgifte van de grootmoeder van de belastingplichtige wordt daarentegen niet aangenomen, gezien deze door geen enkel positief en controleerbaar bewijs wordt bevestigd.
Tenslotte aanvaardt het Hof een vermindering van de weerhouden kosten voor levensonderhoud nu blijkt dat bij de schatting geen rekening werd gehouden met het feit dat de belastingplichtige nog niet was gehuwd en nog steeds bij zijn ouders verbleef die instonden voor zijn levensonderhoud en anderzijds de adm. haar vermoedens niet heeft gesteund op voldoende precieze en overeenstemmende elementen.
Bergen, 8.4.1994 - FA 94/22, blz. S

De beweerde spaaroverschotten kunnen niet als verantwoording worden aanvaard nu blijkt dat belastingplichtige veelvuldig gebruik maakte van spaarboekjes, termijnrekeningen, enz... Er kan niet worden aangenomen dat betrokkene belangrijke geldsommen improductief zou hebben gelaten gedurende een vrij lange periode.
De geraamde kosten voor levensonderhoud dienen als willekeurig te worden bestempeld, nu blijkt dat zij steunen op gemiddelde bedragen afkomstig uit een statistisch tijdschrift. Deze kosten moeten inderdaad begroot worden op grond van de concrete omstandigheden waarin de belastingplichtige leeft en op grond van de uitgaven die hij werkelijk heeft gedaan.
Antwerpen, 7.12.1992 - B 739, blz. 1308 - F 482, blz. 13

Het eenjarigheidsbeginsel verhindert niet dat tekenen en indiciŽn worden afgeleid uit vaststellingen die verschillende opeenvolgende aanslagjaren betreffen. Een aanslag gevestigd op basis van tekenen en indiciŽn kan enkel weerlegd worden op basis van positieve en controleerbare gegevens. Deze gegevens moeten aantonen dat de vastgestelde inkomsten voortkomen uit een niet belastbare bron of dat zij werden verkregen gedurende een tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat. In casu had de belastingplichtige werken laten uitvoeren aan zijn onroerend goed. Hij beweerde evenwel dat deze werken werden medegefinancierd door een derde. Het voorleggen van een factuur op naam van deze derde volstaat niet voor het Hof, de facturatie bevestigt enkel aan dat de derde als contactpersoon fungeerde. In de BTW-listing van de leverancier komt bovendien enkel de naam van de belastingplichtige voor en niet die van de derde persoon.
Luik, 17.2.1993 - F 482, blz. 13

De fiscus kan de opgenomen sommen van de lopende rekening niet als te verantwoorden uitgaven in de vermogensafrekening opnemen. Uitsluitend de aangroei van het creditsaldo komt hiervoor in aanmerking.
Antwerpen, 3 1 .5. I 994 - FA 94/30, blz. 2 - FA 94/34, blz. 11

Het enkele feit dat men inkomsten moet hebben om in leven te blijven, zonder verdere motieven of elementen, is niet voldoende voor de Administratie om een aanslag op grond van tekenen en indiciŽn te vestigen.
Antwerpen, 26.5.1994 - FA 94/3 1, blz. 6 - FA 94/34, blz. I I

Bij een regelmatige boekhouding mag de Administratie toepassing maken van de belasting op tekenen en indiciŽn, maar niet van de vergelijkingsprocedure.
Antwerpen, 25.5.1994 - FA 94/28, blz. 11

In welke mate is het schriftelijk vraagrecht zoals voorzien bij artikel 3 I 6 WIB 1992 verenigbaar met de bewijslastverdeling in het kader van een aanslag op grond van tekenen en indiciŽn? Deze vraag werd aan de Minister gesteld omwille van het feit dat de Administratie bij een taxatie op grond van tekenen en indiciŽn de bewijslast heeft maar in de praktijk nochtans dikwijls gebruik maakt van haar vraagrecht om het bewijsmateriaal bijeen te brengen. De Minister beklemtoont dat de taxatieambtenaar de tekenen en indiciŽn die de grondslag vormen voor een indiciaire taxatie, moet opsommen "zonder dat hij daarbij de belastingplichtige mag betrekken". Een taxatieambtenaar die een schriftelijke vraag stuurt aan een belastingplichtige heeft volgens de Minister niet tot doel een aanslag op grond van tekenen en indiciŽn voor te bereiden maar wel een meer objectieve en juiste vermogensafrekening te maken, dit "in samenwerking met de belastingplichtige". De Minister relativeert hiermee sterk de eventuele begrenzing van het vraagrecht. Wel mogen de door de fiscus gestelde vragen niet zodanig ruim gesteld worden dat de belastingplichtige in zijn antwoord zou verplicht worden zelf zijn vermogensafrekening te maken en deze op een dienblad aan de fiscus te presenteren. De grenzen van dit redelijkheidsbeginsel zijn moeilijk te trekken.
VA, Kamer, 1993-94, nr. 115, p. 12147 - F 486, blz. 3 - FA 95/5, blz. 2 - ced 36.5 - B 744, blz. 3408

Inkomsten uitgewezen door een rechtsvordering kunnen buiten de normale aanslagtermijnen belast worden. De administratie ging dan ook, nadat ze inzage gekregen had in een strafdossier, over tot een indiciaire afrekening met een aanvullende belasting als gevolg. Volgens de belastingplichtige kunnen de inkomsten uitgewezen door een strafvordering hier niet worden belast omdat de administratie op grond van gegevens van het strafdossier een eigen onderzoek voerde en de gegevens van het strafdossier niet heeft overgenomen. Het hof volgt de belastingplichtige : de taxatie is gesteund op een indiciaire afrekening voortvloeiend uit een eigen onderzoek van de administratie. De bijzondere termijn voorzien bij artikel 358, ß I, 3&127; kan hier volgens het hof geen toepassing vinden. Fiscale actualiteit merkt terecht op dat gegevens uit een strafdossier slechts zelden zonder meer op fiscaal vlak bruikbaar zijn. Bovendien zegt de wet dat het moet gaan om inkomsten "uitgewezen" door een rechtsvordering wat niet hetzelfde is als "bewezen". Een eindarrest volgt.
Antwerpen, 12.9. 1994 - FA 94/33, blz. 5 - ced 20. 10 - FN 94/2 I , blz. 4

Een fiscale controle brengt een indiciair tekort aan het licht. De belastingplichtige is het hiermee niet eens en dient een verzoek in om de aanslag te herzien, weliswaar buiten de normale bezwaartermijn. Volgens de belastingplichtige kan evenwel ambtshalve ontheffing verleend worden omdat de administratie bij het opstellen van haar indiciaire afrekening geen rekening gehouden heeft met een aantal voor de hand liggende rechtvaardigende elementen, er zou met andere woorden sprake zijn van een materiŽle vergissing. Het hof volgt in casu de belastingplichtige. Dit arrest sluit niet aan bij wat normaliter onder "materiŽle vergissing" wordt verstaan.
Brussel, 26.5.1994 - FA 94/33, blz. 2 - FK 94/16, blz. 514 - Tips 94/19, blz. 2

Een rekeninguittreksel van een persoonlijke rekening vormt geen voldoende tegenbewijs in het kader van een indiciaire afrekening. Het uittreksel "op zich" biedt geen inzicht in het concrete verloop van de rekening ter zake.
VA, Kamer, 1993-94, nr. 119, p. l2536 - F 489, blz. 4 - FK 94/17, blz. 527 - B 744, blz. 3399

Indien een onderzoeksrechter in het kader van een strafdossier nauwkeurige inlichtingen bekomt van een financiŽle instelling vormen zij bewijskrachtige gegevens in het kader van een indiciaire afrekening (zie ook sub 74).
Brussel, 30.9.1993 - F 489, blz. 13

In het kader van een indiciaire afrekening stelt de administratie vast dat een belastingplichtige een onroerend goed heeft gekocht in de maand januari van het eerste gecontroleerde jaar. Aangezien de inkomsten van de gecontroleerde periode niet voldoende zijn, beslist de administratie het indiciair tekort te belasten. De belastingplichtige beweert dat de aankoop gefinancierd werd door gelden die hij in vorige inkomstenjaren heeft gespaard. Het hof volgt de belastingplichtige. Op basis van de inkomsten gedurende het beoogde tijdperk oordeelt het hof dat de belastingplichtige wel degelijk kon sparen in de vorige jaren.
Antwerpen, 26.9.1994 - FK 94/18, blz. 569 - FA 95/11, blz. I 1

Een taxatie op tekenen en indiciŽn is willekeurig indien de tekenen en indiciŽn niet als vooraf bewezen vaststaande of geverifieerde gegevens kunnen worden aanzien.
Antwerpen, 13.6. 1994 - FA 94/34, blz. 11

Een raming van de huishoudelijke uitgaven van een koppel restaurantuitbaters op 240.000 fr. per belastbaar tijdperk is aanvaardbaar voor het hof, gelet op een aantal kosten die een gezin minimaal moet maken om deftig te leven (huur, kleding, enz...). De verliezen van de zaak kunnen hier geen rol in spelen.
Brussel, 2.6.1994 - FA 94/34, blz. 11

Een belastingplichtige komt indiciair in de problemen. Over twee aanslagjaren heeft hij een tekort van 5,5 miljoen. Hij argumenteert dan ook dat hij bij het begin van de belastbare tijdperken over een aanzienlijk bedrag aan spaargeld kon beschikken. De administratie beaamt dat de belastingplichtige voldoende belastbare inkomsten genoten heeft in de voorafgaande belastbare tijdperken om te sparen. De mogelijkheid om te sparen volstaat evenwel niet. Concrete bewijzen omtrent het sparen geeft de belastingplichtige niet, bewijzen van de beleggingen in dit verband evenmin. Het Hof geeft de administratie gelijk. Er moeten positieve en controleerbare gegevens zijn die aantonen dat de financiŽle middelen nog voorhanden waren bij de aanvang van de betreffende belastbare tijdperken.
Gent, 1 . 12. 1994 - FA 94/42, blz. 6 - ced 30.4

Voor het jaar waarin een ingenieur een appartement koopt wordt hij getaxeerd op een indiciair tekort. Hij probeert dit tekort te rechtvaardigen door de "spaartegoeden in zijn kluis" in te roepen. Het hof hecht geen geloof aan zijn verhaal. Vooreerst lijkt het oppotten van geld voor een ingenieur nogal onwaarschijnlijk. Daarnaast liet de eiser tezelfdertijd een tweede verblijf bouwen wat de hypothese van vroegere spaartegoeden ernstig in twijfel trekt.
Brussel, 30.6.1994 - ced ?9.3 - F 536, blz. 10

Uit de volstorting van aandelen leidt de administratie een indiciair tekort af. Volgens de belastingplichtige is de volstorting gebeurd door zijn ouders. De belastingplichtige was voor de bewuste periode nog ten laste van zijn ouders en beschikte niet over eigen financiŽle middelen. Dit vermoeden wordt door het Hof aangenomen. In een gelijkaardig arrest brengen de familieleden eveneens redding. Hier betreft het wel de rechtvaardiging van de aanzuivering van een debetsaldo van de rekening-courant van de belastingplichtige in zijn vennootschap.
Antwerpen, 30.9.1994 en Brussel, 30.6.1994 - FA 94/43, blz. I 1

Een indiciaire taxatie die gesteund is op ťťn enkele indicie, met name op de huishoudelijke uitgaven van een echtpaar, is niet willekeurig. De huishoudelijke uitgaven vormen immers een feitelijk vermoeden dat kan aangewend worden als indicie voor de raming van de belastbare grondslag. Wel moeten de huishoudelijke uitgaven volgen uit een onderzoek van de concrete omstandigheden, niet uit statistische en algemene gegevens. Zo zou het toepassen van een coŽfficiŽnt op het bedrag van de huur wel leiden tot een willekeurige taxatie. Fiscale Actualiteit betwist dan ook de bijkomende stelling van het Hof, dat de OCMW-wetgeving als bekend feit mag worden beschouwd om de huishoudelijke uitgaven van de belastingplichtige in concreto vast te stellen.
Luik, 24. 11 . 1994 - FA 95/3, blz. 7

In aansluiting op sub 84 werd in twee andere arresten geoordeeld dat de huishoudelijke uitgaven op willekeurige basis werden vastgesteld. De redenen :
- geen vermelding van concrete elementen : Antwerpen, 26.5. 1994
- loutere toepassing van een quotiŽnt op de vastgoedhuurprijs : Brussel, 24.6. 1994
FA 95/3, blz. 11
Zie ook : Antwerpen, 12.12.1994 - FA 95/11, blz. I 1

Teneinde een indicŪair tekort te verantwoorden verwijst een zaakvoerder van een vennootschap naar een lening van 750.000 fr. die hij vanwege een bevriend echtpaar zou verkregen hebben. Het enige wat hieromtrent bestaat is een schulderkenning die enkel door de belastingplichtige-zaakvoerder ondertekend is. Wel kan de belastingplichtige aantonen dat er enkele jaren later 750.000 fr. van zijn rekening gaat, volgens hem de terugbetaling van de lening. Deze overschrijving kan slechts gestaafd worden met een dubieus ontvangstbewijs. Bovendien blijken er geen intresten te zijn betaald. Het bestaan van de lening is volgens het Hof dan ook niet bewezen.
Brussel, 15.12.1994 - F 506, blz. 9

De loutere bevestiging van een moeder dat zij aan haar zoon een lening heeft toegestaan is geen voldoende verantwoording voor een indiciair tekort. De overdracht van het kapitaal moet met andere woorden worden bewezen door positieve en controleerbare gegevens.
Luik, 3. . 1993 - F 5 10, blz. 10 - B 745, blz. 85

Bedragen die worden ingeroepen als verantwoording van een indiciair tekort mogen nog niet ingeroepen zijn in verband met een vorige aanslag die eveneens op een indiciaire afrekening berustte.
Antwerpen, 14. 11 . I 994 - F 5 13 , blz. 12

Bij een niet-inwoner kan geen indiciaire aanslag gevestigd worden. Het vermoeden van artikel 341 WIB 1992 volgens hetwelk rekening moet worden gehouden met de internationale inkomsten van een belastingplichtige kan niet van toepassing zijn op een niet-inwoner die enkel belast wordt op zijn inkomsten van Belgische oorsprong. Anders zou er gedeeltelijke dubbele belasting ontstaan in BelgiŽ.
Antwerpen, 27. . 1995 - FA 95/18, blz. 3 - ced 49.8 - FA 95/24, blz. 12 - AFT 95.8-9, blz. 253 - F 55 1 , blz. 11

Art. 341, W.l.B.92, belet niet dat de belastbare grondslag van een bepaald aanslagjaar wordt geraamd op basis van tekenen en indiciŽn die tijdens een later aanslagjaar aan het licht zijn gekomen.
Brussel, 10.2.1995 - FA 95/24, blz. 11

Een indiciaire taxatie die steunt op ťťn bepaalde uitgave (in casu : de gezinsuitgaven) is niet willekeurig.
Luik, 8.3. 1995 - FA 95/24, blz. 11

Naar aanleiding van de aankoop van een onroerend goed wordt bij een bakker een indiciaire afrekening gemaakt, die resulteert in een fiks tekort. De bakker weigert een vraag om inlichtingen te beantwoorden en wordt van ambtswege aangeslagen. De bewijslast rust op de belastingplichtige. Een deel van het indiciair tekort wordt tijdens de bezwaarprocedure gerechtvaardigd, maar de Administratie weigert "handgiften" ten beloop van ongeveer 2 miljoen frank in aanmerking te nemen. De schoonvader van de bakker, tevens filiaalhouder van een bank, had 22 stortingen gedaan op een spaarrekening van de dochter bij diezelfde bank. Volgens de schoonvader was dit een voorschot op de erfenis om zijn dochter alzo te helpen bij het bouwen van haar huis. Daar niets erop wees dat de stortingen inderdaad voortkwamen van fondsen die de schoonvader bezat, en niets erop wees dat het niet ging om fondsen die voortkwamen uit de dagelijkse recette van de bakkerij, kon deze uitleg het Hof dan ook niet overtuigen. Aan de bewijslast door de belastingplichtige was volgens het Hof niet voldaan.
Brussel, 4.5.1995 - ced 57.5

De raming van huishoudelijke uitgaven door loutere verwijzing naar de gezinstoestand van de belastingplichtige vormt geen concreet element waaruit de vaste, werkelijke gezinsuitgaven effectief kunnen worden afgeleid.
Antwerpen, 13 .3 . 1995 - FA 95/30, blz. 10

Een bedrag dat aangegeven wordt als "huishoudelijke uitgaven en privť-voertuig (gezin met ťťn kind ten laste)" mag volgens de wet niet worden opgenomen in een bericht van wijziging dat verstuurd werd naar aanleiding van een indiciaire taxatie. Een dergelijke verklaring wordt niet beschouwd als een rechtvaardiging, vermits het hier gaat om een willekeurig opgegeven bedrag, zonder nadere uitleg.
Antwerpen, 13 .3 . 1995 - FA 95/30, blz. 10

Waar artikel 341 W.l.B. 1992 toelaat de belastbare grondslag te ramen volgens tekenen en indiciŽn waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, toont dit op zichzelf geen vermoeden van kwade trouw aan.
Gent, 26. 10. 1995 - F 547, blz. 10

Een voorraad kan als tekenen en indiciŽn in aanmerking worden genomen, voor zover de aankoop van deze goederen wordt vermeld op een listing die is bestemd voor de B.T.W.
Antwerpen, 16. 10. 1995 - FA 96/2, biz. 11

In het kader van een taxatie op grond van tekenen en indiciŽn vroeg de Administratie een Joegoslavische politiek vluchteling die in zijn land vervolgd werd, een bedrag van meer dan 3 miljoen frank te rechtvaardigen. Dit bedrag vertegenwoordigde geldoverdrachten vanuit het buitenland, meer bepaald deviezen, munten en goud. Het Hof oordeelt dat de aard van de overdrachten naar BelgiŽ, met name goud en munten, aanwijst dat die tegoeden afkomstig waren van een vorig spaartegoed. Deze stelling wordt gestaafd met dossierstukken die bewijzen dat de eiser in JoegoslaviŽ belangrijke functies uitgeoefend had voor rekening van een Belgische vennootschap en dat hij dus een aanzienlijk spaartegoed had kunnen aanleggen in zijn eigen land. Rekening houdend met het fortuin dat de eiser in zijn land van oorsprong heeft kunnen vormen, met de administratieve moeilijkheden die hij ondervonden heeft bij de overdracht van zijn tegoeden naar BelgiŽ, en met de aard en de omvang van de overdrachten die in verschillende etappes moesten gebeuren, moet worden aanvaard dat zij niet voortkomen van belastbare inkomsten in BelgiŽ.
Brussel, 9. 11 . 1995 - FA 96/7, blz. 11

In een uitgebreid artikel bespreekt AFT de bewijsvoering en de mogelijkheden tot verweer bij een indiciaire taxatie. Artikel 341 WIB 92 biedt de Administratie de mogelijkheid om de belastbare grondslag te ramen van een belastingplichtige wiens aangifte lagere inkomsten vermeldt dan deze waarop diens levensstijl en maatschappelijke stand wijzen. Dit artikel houdt eveneens het weerlegbaar vermoeden in dat deze hogere graad van gegoedheid afkomstig is uit niet in de aangifte opgenomen belastbare inkomsten. Achtereenvolgens worden in het artikel de volgende punten besproken :
- de indiciaire aanslag : de aanslagambtenaar dient eerst een "indiciaire afrekening" op te stellen;
- elementen die de aanslagambtenaar als tekenen en indiciŽn in aanmerking kan nemen;
- het bewijs van het voorhanden zijn van tekenen en indiciŽn door de aanslagambtenaar : de Administratie dient
  de elementen aan te tonen die de tekenen en indiciŽn vormen, en zij draagt terzake dan ook de bewijslast;
- het betrekken van de belastingplichtige bij het bewijs van de tekenen en indiciŽn : het is de aanslagambtenaar
  niet toegestaan bij het opsporen van elementen die als indicie zullen worden gehanteerd, de belastingplichtige
  te betrekken;
- het opstellen van de indiciaire afrekening : deze dient door de Administratie opgesteld te worden;
- een merkelijk hogere graad van gegoedheid : het tekort moet van een relatieve grootte zijn om voor belasting
  in aanmerking te komen;
- de aanslagtermijn : drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de
  belasting verschuldigd is - de vijfjarige aanslagtermijn van artikel 354 WIB 92 is hier niet van toepassing;
- het verweer van de belastingplichtige : deze kan in een eerste fase bewijzen dat bepaalde uitgaven niet werden
  gedaan. Indien dit niet mogelijk is, kan hij bewijzen dat de hogere graad van gegoedheid voortkomt uit andere
  middelen dan aan te geven inkomsten;
- artikel 341 WIB 92 : bewijsmiddel voorbehouden aan de Administratie;
- periode waarvoor de indiciaire afrekening wordt gemaakt : indien er enkel courante uitgaven zijn, mag de
  afrekening gemaakt worden over ťťn enkel jaar - indien er een bepaald jaar een belangrijke uitgave geweest
  is, dient men de afrekening te maken over meerdere jaren;
- de willekeurige vaststelling van het levensonderhoud - de willekeurige vestiging van de aanslag - de niet-
  motivering van de aanslag;
- de kwalificatie van het inkomen : vermoeden dat het om een inkomen van "onbepaalde oorsprong" gaat -
  voorheen werd door de Administratie en de rechtspraak evenwel aangenomen dat het om een bedrijfsinkomen
  gaat;
- het tegenbewijs door de belastingplichtige : de belastingplichtige kan enkel de negatieve bewijslast dragen;
- het tegenbewijs met betrekking tot de verkoop van roerende waarden en andere financiŽle instrumenten :
  aankoop -en verkoopdocumenten zijn hier slechts bewijskrachtig indien ze "op naam" opgesteld zijn;
- het tegenbewijs doordat de belastingplichtige middelen werden geschonken of geleend;
- procedurele aspecten : * de ambtshalve ontheffing : bij materiŽle vergissingen
- verboden compensatie
- nieuwe bezwaren en nieuwe stukken
- het indiciair tekort en de belastingverhoging: een aanslag gesteund op tekenen en indiciŽn kan niet gepaard
  gaan met een belastingverhoging.
AFT 96.1, blz. 4

Wanneer de Administratie aantoont dat er in hoofde van de belastingplichtige een indiciair tekort aanwezig is, is het aan de belastingplichtige om het tegenbewijs te leveren. In casu roept de belastingplichtige in dat hij van zijn in Amerika wonende rijke broer een handgift heeft ontvangen. En verder verwijt hij de Administratie geen rekening te hebben gehouden met de spaarmogelijkheden waarover hij in de vorige aanslagjaren beschikte. De belastingplichtige vindt evenwel geen gehoor bij het Hof van Beroep. Buiten een verklaring van zijn zogezegde rijke broer ( het Hof is niet overtuigd van diens rijkdom ), wordt geen enkel bewijs geleverd dat dit geld ook effectief werd overgebracht naar een bankrekening, of dat er een geldwissel gebeurde van dollars in Belgische franken. Het feit dat het geld verkregen werd van de broer, sluit volgens het Hof een welwillendheidsverklaring niet uit. Ook de spaarmogelijkheden zijn niet relevant. Een tegenbewijs kan er enkel in bestaan dat wordt aangetoond dat op de eerste dag van het betrokken belastbaar tijdperk de spaargelden werkelijk aanwezig zijn.
Brussel, 15.3.1996 - F 571, blz. 10

Een belastingplichtige ontving een algemene vragenlijst met het oog op een "indiciair" onderzoek van zijn fiscale toestand. De belastingplichtige had daar weliswaar op geantwoord, maar volgens de Administratie was  zijn antwoord "onvolledig" en bovendien was het niet ondertekend. Waarop hij van ambtswee aangeslagen werd.
Voor het Hof argumenteerde de belastingplichtige dat deze aanslag nietig was, omdat de fiscus het recht niet had om dergelijke vragen te stellen. Het Hof geeft hem - in niet mis te verstane bewoordingen - gelijk :  
- De administratie beschikt krachtens de wet over de mogelijkheid om de belastbare grondslag op basis van
  tekenen en indiciŽn te ramen, zodra de aangifte lagere inkomsten vermeldt dan die waarop de uitgaven van de
  belastingplichtige wijzen;
- De aanslagambtenaar moet de tekenen en indiciŽn opsommen die de grondslag vormen van een aanslag op
  basis van tekenen en indiciŽn en hij draagt hiervan de bewijslast;
- Zodra de aanslagambtenaar de belastingplichtige betrekt bij het opsporen van de elementen die als indicie
  kunnen gelden, schendt hij de bewijslast tussen de Administratie en de belastingplichtige;
- De belastingplichtige mag het tegenbewijs leveren van het indiciair tekort, maar hij draagt niet de bewijslast
  van de tekenen en indiciŽn;
- De belastingplichtige was niet verplicht om op de vraag om inlichtingen te antwoorden;
- De Administratie was dan ook niet gerechtigd om een aanslag van ambtswege te vestigen, louter en alleen
omdat het antwoord onvolledig en/of niet ondertekend zou zijn.
Antwerpen, 4.6.1996 - F 574, blz. 3 - FK 96/13, blz. 445 - IDAC 96/20, blz. 6 - FK 96/l 8, blz. 581 -
FA 96/43, blz. 12 - F 624, blz. l 0

In haar indiciaire afrekening neemt de Administratie zeer vaak een geraamd bedrag op voor de kosten van levensonderhoud. De belastingplichtige heeft gedurende de betrokken periode immers "geleefd", en daar staan dus uitgaven tegenover, maar het is moeilijk het precieze bedrag daarvan vast te stellen; vandaar dat een raming wordt gemaakt van deze kosten. Voor het Hof betwistte een belastingplichtige de indiciaire afrekening, omdat hij de erin opgenomen raming van de kosten van levensonderhoud (360.000,-F) willekeurig vond. Het Hof herinnert eraan dat de tekenen en indiciŽn niet op een louter vermoeden mogen steunen, maar het voorafgaande bewijs veronderstellen van vaststaande feiten en elementen. Vermoedens zijn immers gevolgtrekkingen die afgeleid worden uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Wanneer de kosten van levensonderhoud worden geraamd, zonder enige vermelding nopens de concrete levensstandaard en - omstandigheden, en zonder enig concreet element aan te halen, dan is de raming volgens het Hof inderdaad willekeurig, en mag in de indiciaire afrekening geen rekening worden gehouden met dit geraamde bedrag. Niettemin vindt het Hof dat de indiciaire afrekening in casu toch kan worden behouden, omdat de belastingplichtige immers zelf erkent dat de kosten van levensonderhoud op 180.000,-F kunnen worden geraamd. Met dit laatste bedrag wordt dan ook uiteindelijk rekening gehouden bij het vaststellen van de belastbare grondslag.
Antwerpen, 26.3.1996 - F 577, blz. 5

In een gelijkaardige zaak als vorige komt hetzelfde Hof tot een logischere en juistere conclusie. Hier was geen sprake van een erkenning of akkoord over de kosten van levensonderhoud. Het Hof herhaalt dat de tekenen en indiciŽn bestemd zijn om een feitelijk vermoeden te vormen, zodat zij zelf niet mogen steunen op een vermoeden. Bijgevolg moet een raming van kosten van levensonderhoud, die niet op vaststaande en concrete elementen steunt, als willekeurig worden beschouwd. Met als gevolg dat de aanslag willekeurig is en in zijn geheel moet worden vernietigd.
Antwerpen, 9.4. 1996 - F 577, blz. S

Een gepensioneerde belastingplichtige die een feitelijk gezin vormde met een andere, had een kennisgeving van aanslag van ambtswege gekregen : de fiscus achtte haar lage eigen vervangingsinkomsten onvoldoende om te voorzien in haar levensonderhoud, zodat ze verondersteld werd nog diverse belastbare inkomsten te genieten Maar haar partner beschikte over hoge inkomsten. Het Hof oordeelt dat de taxatie arbitrair is door geen rekening te houden met het inkomen van het feitelijk gezin om de vraag te beantwoorden hoe ze in haar levensonderhoud heeft voorzien.
Brussel, 2.2.1996 - FA 96/24, blz. I 1

Bedragen die worden ingeroepen als verantwoording van een indiciair tekort mogen nog niet ingeroepen zijn in verband met een vorige aanslag die eveneens op een indiciaire afrekening berustte.
Antwerpen, 14. 11 . 1994 - F 5 13, blz. 12

Behoudens tegenbewijs, mag de raming van de belastbare grondslag worden gedaan volgens tekenen en indiciŽn waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. De indicie is een vaststaand gegeven dat als basis dient voor het wettelijk vermoeden, zoals bepaald bij artikel 341 WIB 1992. Een indicie die slechts op een niet nader gepreciseerd vermoeden steunt, kan niet als basis gelden om er een ander vermoeden op te steunen. Er kan niet worden aangenomen dat de kosten van levensonderhoud in globo worden geraamd, ook voor de uitgaven waarvoor wel bewijskrachtige gegevens voorhanden zijn.
Gent, 27.6. 1996 - F 584, blz. 12

Het Hof stelt vast dat in het bericht van wijziging geen enkel feit of concreet element wordt aangehaald (vb. huishuur, aankopen, bezit auto, levensstandaard,...) waarop de opgave van het bedrag van het levensonderhoud in een indiciaire afrekening gesteund is. Het enkel feit "geleefd" te hebben tijdens de belastbare periode is volgens het Hof geen indicie. De aanslag is bijgevolg nietig.
Antwerpen, 14.5 . 1996 - F 584, blz. 12 - FA 96/3 5, blz. 11 - F 620, blz. 11

In het kader van een indiciaire afrekening worden de kosten van levensonderhoud in hoofde van de belastingplichtige geraamd op 600.000,-F. De Administratie gaat daarbij enkel uit van het feit dat het gezin vijf personen telt, zonder zich verder op concrete elementen of feiten te baseren. Deze raming wordt verworpen door het Hof. De tekenen en indiciŽn die bedoeld zijn om vermoedens te vormen, mogen immers zelf niet berusten op veronderstellingen of mogelijkheden. De nietige raming heeft volgens het Hof evenwel niet de nietigheid van de volledige aanslag tot gevolg; wel moet het bedrag van het levensonderhoud uit de vermogensafrekening worden geweerd.
Antwerpen, 18. 12. 1995 - F 5 84,blz. 12

Om een indiciair tekort te verantwoorden, had de belastingplichtige een schenking van zijn ouders voor een bedrag van 350.000,-F ingeroepen. De Administratie weigerde daar rekening mee te houden, omdat elk materieel spoor van de overdracht ontbrak. Het Hof achtte de schenking wel bewezen. Ten eerste bleken de ouders zelf vermogend genoeg te zijn om de giften te doen. En verder kon uit het dossier worden afgeleid dat het geld contant werd ontvangen en vervolgens op de rekening gezet, hetgeen de stortingen op de rekening van de belastingplichtige verklaart. Het Hof is van oordeel dat er niet steeds bewijzen zijn van giften tussen verwanten en de bijgebrachte stukken dus met "enige soepelheid" beoordeeld moeten worden.
Antwerpen, 18. 12. 1995 - F 5 84, blz. 12

Om een indiciair tekort te verantwoorden werd de schenking van een tante ingeroepen als tegenbewijs. Maar spijts de tante de schenking bevestigde, dat aangetoond werd dat de tante voldoende gefortuneerd was, dat een eerdere schenking van de tante door de Administratie aanvaard werd, en dat haar vermogen effectief daalde wilde het Hof de schenking dit keer niet aanvaarden als tegenbewijs. Het betreft volgens het Hof allemaal positieve gegevens die evenwel niet controleerbaar zijn. Dit arrest staat in schril contrast met het sub 107 besproken arrest. In dit arrest bevestigt het Hof echter wel dat een belastingverhoging in geval van onjuiste of onvolledige aangifte niet kan worden opgelegd in het kader van een taxatie op grond van tekenen en indiciŽn.
Antwerpen, I 8. 12. 1995 - F 584, blz. I 2

Een tapijthandelaar wordt belast op basis van tekenen en indiciŽn. De aangroei van zijn tapijtvoorraad wordt als indicie in aanmerking genomen. Het argument van de handelaar als zou zijn broer de tapijten hebben betaald, wordt door de Administratie, hierin gevolgd door het Hof van Beroep te Antwerpen, verworpen. Uit de stukken zoals de aangifte met de verlies -en winstrekening, de BTW-listing en de douanedocumenten blijkt immers dat er telkens sprake is van de "aankoop" van tapijten door de belastingplichtige zelf en niet door zijn broer. Op een ander vlak krijgt de tapijthandelaar wel gelijk. Met name dat de belastingverhoging in zijn geval niet kan worden toegepast. Een belastingverhoging kan worden opgelegd indien een aangifte onjuist of onvolledig is. De Administratie moet daarvan het bewijs leveren. Het wettelijk ter beschikking van de Administratie gestelde vermoeden (dat van de tekenen en indiciŽn) is uitsluitend dienstig voor en mag uitsluitend aangewend worden ter vaststelling van de belastbare grondslag. Dit bewijsmiddel heeft niet tot doel het bewijs te leveren van het onjuist of onvolledig karakter van een aangifte. Het is immers mogelijk dat de belastingplichtige correct alle belastbare inkomsten heeft aangegeven zonder dat hij in staat is om het tegenbewijs te leveren tegen de indiciaire afrekening. Het feit dat hij dit tegenbewijs niet kan leveren, betekent dus geenszins dat de aangifte niet correct werd ingevuld. Verder vermeld de Administratie ook niet om welke redenen de ingediende aangifte onjuist of onvolledig zou zijn. De belastingverhoging is dus niet verantwoord.
Antwerpen, 16. 10. 1995 - F 584, blz. I 2

In Tips wordt een artikel gewijd aan de steeds meer door de Administratie gehanteerde techniek van het indiciair afrekenen. Hierbij gaat de Administratie de aangegeven inkomsten van een of meerdere jaren vergelijken met de uitgaven. Bij hogere uitgaven dan inkomsten zal zij U dan ook om de nodige uitleg verzoeken. Belangrijk hierbij is dat de Administratie de tekenen en indiciŽn zelf moet opsommen en bewijzen. Het moet om vaststaande en bewezen feiten gaan die niet mogen neerkomen op eenvoudige vermoedens. U kunt de tekenen en indiciŽn weerleggen door te bewijzen dat de door de Administratie vastgestelde "verdoken" inkomsten voortkomen uit een niet-belastbare bron zoals vroeger aangegeven en reeds belaste inkomsten, gelden afkomstig van een erfenis, schenking, lening of verkoop van vermogensbestanddelen. Het artikel wijst eveneens op de gevaren van "zwartwassen van wit geld". Wanneer U bijvoorbeeld een ontvangen erfenis niet aangeeft, om aldus geen successierechten te moeten betalen, maakt U immers wit geld zwart.
Antwerpen 29.5.1995 - Tips 96/16, blz. 6

Een indiciaire afrekening die er zonder meer van uitgaat dat een gezin van vijf personen (voor het aanslagjaar 1988) nood heeft gehad aan 750.000,-F voor levensonderhoud, is willekeurig. De waardering van het bedrag van de gezinsuitgaven moet immers gebeuren door rekening te houden met de concrete omstandigheden waarin de belastingplichtige en zijn gezin leven en de uitgaven deden. Dit bedrag moet geraamd worden aan de hand van feitelijke vermoedens, waarbij wordt uitgegaan van vaststaande feiten.
Antwerpen, 24.9.1996 - F 586, blz. 11 - FA 96/38, blz. 5

Een belastingplichtige wordt belast op grond van tekenen en indiciŽn. De Administratie weerhoudt als ťťn van de te verantwoorden uitgaven het beroepsverlies dat de belastingplichtige in zijn aangifte had aangegeven. Volgens de belastingplichtige kan dit beroepsverlies echter niet als een te verantwoorden uitgave aanzien worden. Voorafgaandelijk wijst het Hof erop dat de tekenen en indiciŽn die door de Administratie worden weerhouden zelf niet op loutere vermoedens mogen steunen, maar noodzakelijk het voorafgaandelijk bewijs veronderstellen van vaststaande feiten en concrete elementen. De indiciŽn die de Administratie weerhoudt moeten bovendien wijzen op werkelijke uitgaven. In casu is het Hof van oordeel dat het bedrag van het aangegeven beroepsverlies dat de Administratie als een indicie heeft weerhouden niet aan deze voorwaarden voldoet. Het Hof stelt daarbij dat aangezien een boekhoudkundig beroepsverlies `het resultaat is van de door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening uit te voeren bewerkingen' een dergelijk verlies niet noodzakelijk op werkelijk gedane uitgaven wijst. Bij de vaststelling van een boekhoudkundig verlies wordt immers niet enkel rekening gehouden met de effectief in het belastbaar tijdperk of boekjaar gedragen uitgaven en kosten, maar worden eventueel ook de zekere en vaststaande schulden in aanmerking genomen die nog niet werkelijk zijn betaald. Een dergelijk verlies kan bij het opstellen van een vermogensafrekening dan ook geen geldige indicie vormen. Dit alles doet het Hof besluiten dat de indiciaire afrekening die de Administratie in casu had opgesteld niet op vaststaande uitgaven was gebaseerd zodat het resultaat ervan willekeurig is.
Antwerpen, ?5.6.1996 - FK 96/15, blz. 501

Een belastingplichtige wordt belast op basis van tekenen en indiciŽn. Als voornaamste indicie geldt de bouw van zijn huis. Wegens het uitzonderlijk karakter ervan, beweert de belastingplichtige dat deze uitgave enkel kan voortkomen uit over vele jaren gespaarde gelden. Onjuist, repliceert het Hof. Het bewijs door middel van tekenen en indiciŽn stelt een wettelijk vermoeden in, dat de uitgaven die in een bepaald jaar werden gedaan, met belastbare inkomsten werden gedaan. De aard van de uitgave houdt geen verband met de oorsprong van het geÔnvesteerde geld. Zij beÔnvloedt evenmin de bewijslast van de Administratie, die enkel moet aantonen dat de uitgave gebeurde en niet dat de patrimoniale situatie aan het begin van het belastbaar tijdperk de investering onmogelijk zou maken.
Brussel, 6.9. 1996 - F 588, blz. 9 - F 620, blz. 11

In een antwoord op een parlementaire vraag bevestigt de Minister van FinanciŽn het standpunt dat de taxatiediensten in principe zelf het bewijs moeten leveren van het bestaan van de tekenen en indiciŽn en dat ze de belastingplichtige in de regel daarbij niet kunnen betrekken. Zie ook sub. 99. Toch verklaarde de Minister dat het in de praktijk vaak wenselijk is dat de belastingplichtige meewerkt aan het inzamelen van een aantal gegevens met betrekking tot zijn vermogenstoestand. Een dergelijke tussenkomst zou de taxatiediensten immers toelaten "meer objectieve en juiste berekeningen" te maken. Het standpunt van de Minister blijft dus onduidelijk.
PV nr. 468 dd. 20.6.1996, Vv. G. BOURGEOIS - VA, Kamer, 1996-1997, p. 7029 - FK 96/18, blz. 581

Het volstaat niet dat de fiscus zich, voor een indiciaire aanslag, baseert op statistische gegevens voor de berekening van de huishoudelijke kosten. Zij moet rekening houden met de werkelijke en specifieke situatie van de belastingplichtige.
Brussel, 13.6.1996 - FA 96/43, blz. 12

Bij een douanecontrole ontdekt men een beleggingsborderel voor 10 miljoen F, dat opgesteld werd in 1989. Bij het opmaken van haar indiciaire afrekening voor aanslagjaar I990, neemt de fiscus dat bedrag op als een te verantwoorden som. Het Hof is het met deze stelling echter niet eens, gezien de som van het beleggingsborderel een kapitaal betreft en slechts de intresten als een belastbaar inkomen kunnen aangemerkt worden ( en niet het volledige kapitaal ).

Luik, 3 .4. 1996 - FA 96/45, blz. 11 - F 6 14, blz. 11
Bij een indiciaire afrekening worden de kosten van levensonderhoud van de belastingplichtige door de controleur geschat op 400.000,-F per jaar. Het Hof vindt deze raming te hoog voor een belastingplichtige die met zijn gezin maaltijden kan nuttigen in het restaurant dat hij zelf uitbaat. Het Hof verlaagt de raming dan ook tot 300.000,-F
Brussel, 4. 10. 1996 - F 597, blz. 14

De bewezen incassering van 99.323 F coupons bij een Luxemburgse bank kan niet zonder rneer leiden tot het weerhouden van een indicie van 823.000 F voor aankoop van roerende waarden. Een indiciaire taxatie waarbij met die aankoop rekening is gehouden, is bijgevolg voor het geheel door willekeur aangetast.
Antwerpen, 18.2. 1997 - F 604, blz. 13 - FA 97/24, blz. 2

Bij de taxatie van een indiciair tekort paste de Administratie een minimum belastingverhoging van l 0 % toe. De belastingplichtige was het hier niet mee eens. Het Hof gaf hem op dit punt gelijk. Volgens het Hof kan het wettelijk vermoeden van een hogere graad van gegoedheid niet het bewijs leveren van een onjuiste aangifte. Het bestaan van een indiciair tekort toont volgens het Hof nog niet aan dat de aangifte onjuist of onvolledig is. Het is mogelijk dat een belastingplichtige over niet belastbare tegoeden beschikt, maar dat er daarover geen positieve of controleerbare stukken meer bestaan. Het Hof acht de opgelegde verhoging strijdig met de bepalingen en omstandigheden waarvoor een belastingverhoging wordt toegepast. Waar het voor het Hof blijkbaar op neer komt, is dat een vermoeden geen bewijs is. De verhoging wordt dan ook vernietigd.
Gent, 10.4. 1997 - FA 97/19, blz. 6 - F 6 1 S, blz. 11 120/ I6.06.1997

Een indiciair tekort wordt belast als een supplementaire nettowinst. Bij ontvangst van het aanslagbiljet stelt de belastingplichtige vast dat de taxatiediensten de belasting op het supplementair inkomen verhoogd hebben wegens ontoereikende voorafbetalingen. De belastingplichtige is het hier niet mee eens. Hij is van oordeel dat de belasting, verschuldigd op het indiciair tekort, niet kan verhoogd worden wegens ontoereikende vooratbetalingen. De belastingplichtige meent dat de Administratie niet zonder meer kan aannemen dat het indiciair tekort een beroepsinkomen is. Het tekort zou enkel aanleiding kunnen geven tot het belasten van een inkomen uit onbepaalde oorsprong. Maar ook in bezwaar wordt de taxatie bevestigd. De belastingplichtige legt het probleem voor aan het Hof van Beroep en wordt in het gelijk gesteld. De bestreden aanslag wordt verminderd in de mate dat hij slaat op een vermeerdering wegens ontoereikende vooratbetalingen.
Antwerpen, I 8.2. 1997 - FK 97/7, blz. 293

De Administratie stelde een indiciaire afrekening op voor een belastingplichtige. Belangrijke bedragen hierin waren de kosten van levensonderhoud en de afname van het debet van de rekening courant in een vennootschap. De belastingplichtige roept in dat hij aandelen van zijn vennootschap verkocht en legt als bewijs een verklaring van de koper voor. Verder haalt hij aan dat hij gedurende jaren de mogelijkheid gehad heeft om te sparen. De Administratie aanvaardt dit tegenbewijs niet bij gebrek aan positieve en controleerbare gegevens. In beroep roept de belastingplichtige nog in dat het levensonderhoud op een willekeurige wijze vastgesteld werd. En met succes, want het Hof beaamt de willekeurige vaststelling van het levensonderhoud omdat de administratie nagelaten heeft een raming te geven van de samenstellende delen van de post "levensonderhoud" en slechts een globaal bedrag op deze post geplakt heeft. Zie ook sub 106 en 111 . Verder heeft de Administratie ten onrechte vermoed dat de vermindering van de rekening courant een indicie is voor het betrokken inkomstenjaar. De belastingplichtige heeft jarenlang beroepsinkomsten genoten, zodat volgens het Hofnaar redelijkheid aan te nemen is dat hij door langdurig sparen de mogelijkheid heeft gehad om de uitgave tot vermindering van de rekening courant te verantwoorden. De gedelgde schuld is geen schuld van het betrokken inkomstenjaar zelf, maar werd over verschillende jaren opgebouwd, wat anticiperend sparen mogelijk maakte. Bijgevolg had de indiciaire afrekening over verschillende jaren moeten zijn opgemaakt. Het Hof besluit dan ook dat de aanslag willekeurig is en vernietigd moet worden. De vaststelling van de grondslag van de indiciaire afrekening is een globale raming en is als ťťn geheel te beschouwen.
Antwerpen, 12. 11 . 1996 - F 6 1 S, blz. 10
De indicie levensonderhoud wordt op willekeurige wijze geraamd als de fiscus niet verwijst naar concrete uitgaven van onderhoud, afgezien van het bezit van een villa en twee voertuigen, wat op zichzelf niet afdoende is.
Antwerpen, 4.3 . 1997 - FA 97/22, blz. 10

Een belastingplichtige wordt belast op een indiciair tekort, dat wordt gekwalificeerd als inkomsten van werkende vennoot. Hij betwist die kwalificatie omdat de vennootschap geen activiteiten meer uitoefende en in vereffening was gesteld. Deze kwalificatie speelt echter geen rol omdat het vermoeden gevormd door tekenen en indiciŽn een <<iuris tantum>> vermoeden is omtrent de oorsprong van de bedragen die geacht worden voort te komen uit belastbare inkomsten behaald tijdens het belastbaar tijdperk. Dat vermoeden werd niet weerlegd
Antwerpen, 18.2. 1997, FA 97/24, blz. 2

Een belastingplichtige wordt op grond van de aankoop van een onroerend goed belast op basis van tekenen en indiciŽn. Volgens de belastingplichtige mag zo'n uitzonderlijke of eenmalige investering niet als een indicie worden beschouwd. Bovendien zou het goed gekocht zijn met de opbrengsten uit de verkoop van gouden munten. Volgens het Hof wordt op grond van art. 34 1 , WIB92, vermoed dat iedere door de belastingplichtige gedane uitgave gefinancierd wordt door belastbare inkomsten en dat alle door de belastingplichtige verkregen tegoeden belastbare inkomsten uitmaken. Het is aan de belastingplichtige dit vermoeden te weerleggen door aan te tonen dat de verkregen tegoeden afkomstig zijn van niet in de inkomstenbelasting belastbare inkomsten of van inkomsten genoten in de vorige belastbare tijdperken. Er wordt in deze zaak echter niet aangetoond dat de gouden munten reeds tijdens de vorige tijdperken in het bezit waren van de belastingplichtige of dat ze gekocht werden met niet-belastbare inkomsten. Bijgevolg worden de munten eveneens geacht in het belastbare tijdperk te zijn aangekocht. Bij gebrek aan tegenbewijs blijft de aanslag dus behouden.
Antwerpen, 3 . 12. 1996 - F 620, blz. 10

De verklaring van een oom van een belastingplichtige dat een som van 5.000 $ werd overhandigd, is een positief maar niet controleerbaar gegeven teneinde het tegenbewijs te leveren bij een taxatie op basis van tekenen en indiciŽn. Er kan immers niet worden nagegaan of de belastingplichtige er werkelijk over heeft kunnen beschikken en hoe het bedrag in zijn bezit is gekomen. In een andere zaak wordt een borderel waaruit de verkoop van obligaties tijdens het jaar blijkt, ook niet als tegenbewijs aanvaard. Het borderel toont immers slechts aan dat de obligaties verkocht zijn, niet dat de obligaties op t/1 van het belastbaar tijdperk in het bezit van de belastingplichtige waren.
Antwerpen, 17. I 2. 1996 - Luik, 25 .6. 1997 - F 625, blz. 8 - FA 97/36, blz. 10

Eens het bestaan van niet in de inkomstenbelastingen belastbare inkomsten of inkomsten behaald in vorige belastbare tijdperken is bewezen, moet niet meer worden bewezen dat die inkomsten ook daadwerkelijk zijn aangewend ter financiering van de te verantwoorden uitgaven.
Antwerpen, 24.12.1996 - F 625, blz. 8

Een pastoor, die een vereniging heeft opgericht, bouwt in eigen naam een kapel en voert werken uit aan zijn woning. De belastingcontroleur vindt dit verdacht en maakt een indiciaire afrekening. De pastoor beweert dat een groot deel van de investeringen gefinancierd werd door giften. De controleur aanvaardt echter alleen de giften gestaafd door bankuittreksels en niet de giften in baar geld. De administratie, hierin gevolgd door het Hof, oordeelt dat de ontvangstbewijzen van laatstgenoemde giften niet bewijskrachtig zijn en elkaar zelfs tegenspreken. De indiciaire taxatie wordt bijgevolg behouden.
Luik, 25.4.1997 - F 625, blz. 8

Het Hof van Beroep oordeelt dat een geldopname in november 1987 ter verantwoording van een belegging in de periode van januari tot juni 1987, perfect kan. De belastingplichtige hoeft immers niet te bewijzen dat de door hem bewezen inkomsten ook werkelijk aangewend zijn om de te verantwoorden uitgaven te financieren. Gent, 29.5.1997 - FA 97/29, blz. 12 - F 665, blz. 10

Bij een douanecontrole wordt bij een belastingplichtige een beleggingsborderel van 24.4.1989 voor 9 miljoen frank gevonden. De administratie weerhoudt die som in het kader van een indiciaire taxatie als te verantwoorden bedrag. Het Hof van Beroep echter stelt dat dit beleggingsborderel enkel kan dienen voor de berekening van de interesten. Het Hof van Cassatie verbreekt dit arrest omdat het het wettelijk vermoeden van artikel 34 1 ,WIB92 miskent. Het kapitaal is dus wel degelijk een te verantwoorden indicie.
Cassatie,  1997 - FA 97/29, blz. 12

In het kader van een indiciaire taxatie verantwoorden de ouders de aankoop van een appartement met een gift die zij van hun zoon gekregen hadden. De zoon bevestigt in een verklaring de schenking. De administratie weigert hiermee rekening te houden en de ouders gaan in beroep. Het Hof van Beroep vindt de gift geloofwaardig. Het bedrag van de gift is immers effectief van de bankrekening van de zoon gegaan, op dezelfde dag van het verlijden van de aankoopakte. De verklaring van de zoon vervolledigt het geheel. Er is dus een geheel van gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens voorhanden dat de som ook effectief naar de ouders is gegaan .
Antwerpen, 2.9.1997 - F 629, blz. 10

Wanneer een diamantkoerier op Schiphol 100.000 gulden betaalt om een in beslag genomen partij diamanten vrij te krijgen, krijgt hij van de administratie een supplementaire aanslag op een indiciaire tekort van 1 .840.000 fr. De koerier betwist deze aanslag en stelt dat hij de 100.000 gulden van een onbekende opdrachtgever ontving en als onbezoldigd boodschapper handelde. Het Hofvan Beroep stelt hem in het ongelijk. Er bleek immers ook uit de stukken dat de som vanuit Zwitserland op zijn rekening in Nederland was gestort.
Antwerpen, 30.9.1997 - F 634, blz. 11

Op basis van een douanecontrole, waarbij een belastingplichtige in het bezit wordt gevonden van 350.000 fr., wordt hij belast op grond van tekenen en indiciŽn. De taxatieambtenaar vermoedt dat de som van 350.000 fr. interesten van een uitstaand kapitaal betreft, dat hij raamt op 5.000.000 fr. I Iet Hof stelt echter dat de belastbare grondslag op willekeurige wijze werd vastgesteld, daar tekenen en indiciŽn niet op vermoedens mogen gesteund zijn. Bovendien heeft de ambtenaar de elementen niet aangeduid die hij in aanmerking heeft aangenomen te bepaling van de kosten van levensonderhoud.
Antwerpen, 28.5.1997 - FA 97/36, blz. 10

Een belastingplichtige wordt onderworpen aan een indiciair onderzoek. De aangegeven inkomsten voor de gecontroleerde periode volstaan niet om de uitgaven van die periode te dekken. Bijgevolg vestigt de administratie aanvullende aanslagen. Nadat het bezwaar wordt afgewezen, gaat de belastingplichtige in beroep. Pas nadat het administratief dossier is neergelegd, legt de belastingplichtige samen met zijn besluiten verkoopborderellen voor van de verkoop van roerende waarden. Deze verkoop zou het indiciair tekort volledig rechtvaardigen. Het Hof van Beroep weigert echter met deze stukken rekening te houden en stelt dat ze niet als een deus ex machina pas in de loop van de betwisting voor het Hof van Beroep kunnen worden voorgelegd. De belastingplichtige had die stukken ook vroeger in de procedure kunnen voorleggen en deze handelwijze wijst volgens het Hof op frauduleuze intenties. Volgens Fiskale Koerier kan deze rechtspraak worden betwist. De belastingplichtige kan ingevolge artikel 381, W.l.B.92, ook tijdens de beroepsfase bijkomende stukken neerleggen. Indien de belastingplichtige de opgelegde termijn hiervoor respecteert kan het Hof dan ook niet zomaar de voorgelegde rechtvaardiging weren.
Luik, 14.5.1997 - FK 97/15, blz. 521

Een belastingplichtige vond een bedrag van 240.000 fr. aan levensonderhoud in het kader van een indiciaire afrekening overdreven, gezien hij samenwoonde met zijn toekomstige echtgenote. Het Hof van Beroep geeft hem daarin gelijk en stelt dat het inwonen bij ouders of toekomstige echtgenote inderdaad een kostenbesparend effect heeft. De inkomsten van de toekomstige echtgenote moeten dus in rekening gebracht worden ter verantwoording van het indiciair tekort, dat bijgevolg wordt teruggebracht tot 100.000 fr. Met dit arrest wordt nog maar eens bevestigd dat de beoordeling van de kosten van levensonderhoud altijd moet gebeuren in functie van de concrete situatie.
Antwerpen, 7. I 0. 1997 - FA 97/4 1 , blz. 7

Een belastingplichtige ontvangt een bericht van aanslag van ambtswege waarbij zijn belastbare inkomsten worden vastgesteld volgens tekenen en indiciŽn. Zijn netto-inkomen wordt vastgesteld op 400.000 fr., een bedrag dat o.a. het levensonderhoud, het onderhoud van de wagen en de huur bevat. De belastingplichtige dient bezwaar in omdat de aanslag geen rekening houdt met de werkelijke beroepskosten en de betaalde onderhoudsgelden, maar krijgt geen gelijk omdat hij zijn werkelijke inkomsten niet kan bewijzen.  Het Hof daarentegen geeft de belastingplichtige gelijk. De administratie verantwoordt immers niet de samenstelling van het bedrag van het levensonderhoud. De raming die zij moet doen moet gedetailleerd zijn en gebaseerd zijn op concrete elementen m.b.t. de levenswijze en de uitgaven van de belastingplichtige.
Tips 98/3, blz. I

De administratie neemt in een indiciaire afrekening een bedrag van 360.000 fr. levensonderhoud in aanmerking voor een gezin van vijf personen. Het Hof van Beroep aanvaardt dit echter niet. De belastingplichtige moet immers vůůr het vestigen van de aanslag in kennis gesteld worden van de concrete en positieve gegevens waarop het bedrag van levensonderhoud gesteund is. De administratie heeft echter nooit verwezen naar de concrete leefomstandigheden, waardoor niet aan bovenstaande voorwaarde voldaan is. De aanslag is dus willekeurig en moet worden vernietigd.
Antwerpen, 8.4.1997 - F 656, blz. IO

Een indiciaire afrekening bestaat gedeeltelijk uit boekhoudkundige gegevens betreffende een inkomstenjaar waarvoor de aanslagtermijn is verstreken. De aanslag die zich baseert op deze indiciaire afrekening moet worden vernietigd.
Brussel, 30. 1 . 1998 - FA 98/I 8, blz. 12

De administratie vestigt op basis van bij een grenscontrole gevonden bankbescheiden een indiciaire aanslag. De belastingplichtige gaat hiermee niet akkoord. Hij stelt dat er geen categorie van inkomsten van onbepaalde oorsprong bestaat, en dat die inkomsten dan ook niet door de administratie kunnen worden belast. Het Hof van Beroep geeft hem echter ongelijk. Bij een taxatie op basis van tekenen en indiciŽn is de administratie immers niet verplicht de oorsprong van de verborgen inkomsten aan te duiden. Het bewijs door tekenen en indiciŽn is een globale methode waaruit men kan besluiten dat de belastingplichtige een hogere graad van gegoedheid heeft dan uit de aangegeven inkomsten blijkt. Bij gebrek aan de mogelijkheid het tekort aan een inkomstencategorie toe te kennen, wordt dit aan alle categorieŽn toegekend. Bovendien mag de administratie er van uitgaan, bij gebrek aan tegenbewijs, dat de ontdekte sommen belastbare inkomsten hebben voortgebracht.
Luik, 12.9. 1997 - F 668, blz. 13

Een belastingplichtige levert het tegenbewijs voor een indiciair tekort. De creditering van zijn rekening-courant gebeurde volgens hem met gelden geleend van een bevriende Zwitserse vennootschap en hij legt de leningovereenkomst en het document dat de overhandiging van de gelden bevestigt voor.  Het Hof vindt dit tegenbewijs echter onvoldoende en bevestigt de indiciaire aanslag.
Het document ter bevestiging van de overhandiging van de gelden gebeurt enkel om fiscale redenen en is niet ondersteund door enig positief en controleerbaar gegeven. Het bewijs van overhandiging, de omzetting van Zwitserse frank naar Belgische frank en de invoer van het bedrag in BelgiŽ ontbreekt. En uit het bestaan van een overeenkomst volgt niet noodzakelijk de uitvoering van de erin opgenomen verrichtingen. Dus nergens een bewijs van de effectieve terbeschikkingstelling.
Antwerpen, 9.9.1997 - F 668, blz. 14

Een landbouwer beweert bij een indiciaire afrekening dat hij 200.000 fr. van zijn moeder heeft gekregen om landbouwgrond te kopen en legt hiertoe een door zijn moeder opgemaakt attest voor. De administratie aanvaardt dit niet. De moeder heeft weliswaar een aantal jaren geleden 400.000 fr. geŽrfd, maar de administratie gelooft niet dat zij dit geld nog heeft. Het Hof van Beroep geeft de belastingplichtige gelijk. De vrouw is van 1896 en uit het landbouwersmilieu. Het is volgens het Hofaannemelijk dat de vrouw dit geld in een `spaarkous' bij zich hield om later te besteden aan het landbouwbedrijf. Het gebruik van bankrekeningen was voor haar generatie nog een uitzondering; vele transacties, zelfs belangrijke, gebeurden in baar geld. Het is bovendien niet ongebruikelijk dat de vrouw dit geld aan haar zoon geeft en daar geen ontvangstbewijs voor vraagt. Het Hof neemt ook aan dat de vrouw het geŽrfde geld nog kon hebben. Zij woonde op het landbouwbedrijf en had nauwelijks kosten, ze had haar pensioen en had een zuinige mentaliteit.
Brussel, 24.4. 1998 - F 670, blz. 9 - FA 98/37, blz. 10

De administratie kan huishoudelijke uitgaven gebruiken als ondersteuning van een indiciaire taxatie en mag die uitgaven aantonen aan de hand van feitelijke vermoedens. In deze zaak neemt de administratie echter 384.000 fr.  in aanmerking als bestaansminimum zonder het detail te leveren van de elementen waarop ze dit bedrag baseert. De aanslag wordt vernietigd als zijnde willekeurig.
Brussel, 29.5.1998 - F 670, blz. 10

De administratie maakt voor een echtpaar voor het jaar van hun huwelijk een gezamenlijke indiciaire afrekening. Voor het jaar van huwelijk worden de echtgenoten echter nog als alleenstaanden afzonderlijk belast. De administratie moet dus voor elk van de echtgenoten een afzonderlijke afrekening maken.
Antwerpen, 26.5.1998 - F 670, blz. 10

Een IraniŽr studeert in Brussel en koopt er een klein appartement. Hij heeft echter geen eigen inkomsten en heeft pas drie jaar na de aankoop een lening afgesloten. De administratie rekent hem een indiciair tekort aan ten belope van de waarde van het appartement. De student beweert dat hij leeft van wat zijn familie in Iran opstuurt en dat hij ook van hun geld het appartement heeft gekocht. De student kan niet bewijzen dat het geld afkomstig is uit Iran. Dit is echter onmogelijk, gezien de uitvoer van deviezen uit Iran op dat moment verboden was. Hij heeft het geld via anonieme rekeningen in Duitsland en Saoedi-ArabiŽ ontvangen. Het prijsgeven van de identiteit van de persoon die het geld gestort heeft, zou zijn familie in Iran in moeilijkheden kunnen brengen. Het Hof aanvaardt dat het politieke regime in Iran een geval van overmacht uitmaakt en dat hij dus niet belast mag worden op het indiciair tekort. Een brief van de Iraanse ambassade over het uitvoerverbod en de rekeninguittreksels van de anonieme stortingen worden als voldoende bewijs beschouwd dat de student het geld van zijn familie in Iran heeft gekregen.
Brussel, 28.5.1998 - FA 98/30, blz. 3

Een echtpaar beweert ter staving van een indiciair tekort dat elk van beide echtgenoten van zijn ouders een renteloze lening van 150.000 fr. heeft gekregen, die ze naar best vermogen moeten terugbetalen. Zij kunnen de materiŽle overdracht van die sommen niet bewijzen, maar ze leggen twee ondertekende ontvangstbewijzen en bankuittreksels m.b.t. de terugbetaling voor. Het Hof oordeelt dat de administratie niet aangetoond heeft dat de leningen geveinsd zijn, en dat de leningen in aftrek moeten worden gebracht van het indiciair tekort.
Antwerpen, 1 S .9. 1998 - F 679, blz. 12

De opsporingsdiensten van de douane zijn niet bevoegd tot het nemen van kopies van bankuittreksels. Deze kopies moeten dan ook uit de debatten worden geweerd.
Antwerpen, 3.3.1998 - FA 98/35, blz. 1 I

De raming van de kosten van levensonderhoud bij een indiciaire afrekening is het onderwerp van talrijke betwistingen met de fiscus. In Tips wordt een overzicht gegeven van de arresten in verband met deze materie. Daaruit blijkt dat de administratie het bedrag voor levensonderhoud voldoende moet specificeren. Indien dit niet gebeurd is, is de aanslag willekeurig.
Tips 98/16, blz. 4

Het verminderen van een indiciair tekort met de aanvankelijk aangegeven en belaste inkomsten is strijdig met het progressiviteitsbeginsel van de belasting. De belasting moet gerekend worden op het totale indiciair tekort en de verschuldigde belasting moet vervolgens worden verminderd, met de aanvankelijk verschuldigde aanslag.
Antwerpen, 10.3.1998 - FA 98/37, blz. l0

| start | | rechtspraak |

 

|start |
|
belastingen | btw | vennootschappen | sociale wetgeving | jaarrekening | milieu | diversen |
| aftrekbare kosten en btw | starters | formulieren | subsidies | overige links | zoek in Limburg

  | voorbehoud |

info(at)mesotten.be
Brugstraat 39  3740 Bilzen    tel. ++32 (0)89 41 26 03     fax ++32 (0)89 44 98 05

laatste bijwerking: 18/01/2014
© 2004-2014