|
Art.
61
Afschrijvingen worden als beroepskosten aangemerkt
naar de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffings of beleggingswaarde
en voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering
die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan.
Onder aanschaffings of beleggingswaarde wordt verstaan, volgens het
geval, de aanschaffingsprijs, de vervaardigingsprijs, de inbrengwaarde of,
met betrekking tot een recht van gebruik van materiële vaste activa
waarover de onderneming bij leasingcontract of bij overeenkomst van
erfpacht of van opstal beschikt of met betrekking tot een gelijkaardig
onroerend recht, het deel van de contractueel bepaalde termijnen dat
overeenstemt met het weer samen te stellen kapitaal ter waarde van het
goed waarop het contract of de overeenkomst betrekking heeft, met dien
verstande dat deze begrippen de betekenis hebben die daaraan wordt
toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de
ondernemingen.
|
|
Antwerpen,
24 juni 1997
De fiscus was van mening dat de afschrijving van goodwill van een advocatenkantoor
(dossiers, knowhow, naambekendheid, enz...) over tien jaar
moest gebeuren. Advocaten leveren echter meestal eenmalige prestaties
en advocaten hebben aldus geen hechte band met hun cliënteel. Een cliënt
is vrij om tijdens en na een rechtsgeding een andere raadsman aan te
spreken. Aldus ondergaat het ingebrachte cliënteel een snellere
waardevermindering.
Een termijn van vijf jaar voor afschrijving was dan ook redelijk.
zie ook: afschrijvingstermijn
van cliënteel: geen vaste regel (uit 'IDAC-Info', nr.
18/1997)
Antwerpen, 7 maart 2000
Ter gelegenheid van de inbreng van de praktijk van 2 geneesheren
(specialisten) in een vennootschap, willen deze het ingebrachte cliënteel afschrijven over 5 jaar. De fiscus echter pretendeerde 10 jaar.
De rechter concludeerde anders. Immers is er slechts kortstondig en
eenmalig contact met de patiënten. Het cliënteel ondergaat aldus een
snelle waardevermindering
Luik 4 november 1998
Een juwelier moest echter akkoord gaan met een afschrijving op 10
jaar. Het Hof oordeelde dat omzet en winstmarge gedurende verscheidene
jaren constant gebleven waren ondanks de komst van een concurrerende zaak
|