|
BOEK
I
Inleidende bepalingen
TITEL I. - Vennootschap en rechtspersoonlijkheid
Artikel 1
Een vennootschap wordt opgericht door een contract op grond waarvan twee
of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met als doel
één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het
oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks
vermogensvoordeel te bezorgen.
In de gevallen bepaald in dit wetboek, kan zij worden opgericht door een
rechtshandeling uitgaande van één persoon die goederen bestemt tot één
of meer nauwkeurig omschreven activiteiten.
In de gevallen bepaald in dit wetboek kan de vennootschapsakte bepalen dat
de vennootschap niet is opgericht met het oogmerk aan de vennoten een
rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen.
Art. 2
§ 1. De maatschap, de tijdelijke handelsvennootschap en de stille
handelsvennootschap hebben geen rechtspersoonlijkheid.
§ 2. Dit wetboek erkent als handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid
:
- de vennootschap onder firma, afgekort V.O.F.;
- de gewone commanditaire vennootschap, afgekort Comm.V.;
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, afgekort BVBA;
- de coöperatieve vennootschap, die zowel met beperkte aansprakelijkheid,
afgekort CVBA, als met onbeperkte aansprakelijkheid, afgekort CVOA, kan
zijn;
- de naamloze vennootschap, afgekort NV;
- de commanditaire vennootschap op aandelen, afgekort Comm. VA;
- het economisch samenwerkingsverband, afgekort ESV.
§ 3. Het erkent als burgerlijke vennootschap met rechtspersoonlijkheid de
landbouwvennootschap, afgekort LV.
§ 4. De vennootschappen bedoeld in de §§ 2 en 3 verkrijgen
rechtspersoonlijkheid vanaf de dag van de in artikel 68 bedoelde
neerlegging.
Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde neerlegging, wordt de
vennootschap die daden van koophandel tot doel heeft en noch een
vennootschap in oprichting is, noch een tijdelijke handelsvennootschap of
een stille handelsvennootschap, beheerst door de regels inzake de
maatschap en, indien ze een naam voert, door artikel
204.
Art. 3
§ 1. De vennootschappen worden beheerst door de overeenkomsten van
partijen, door het burgerlijk recht en, indien ze een handelsaard hebben,
door de bijzondere wetten op de koophandel.
§ 2. De burgerlijke of handelsaard van een vennootschap wordt bepaald
door haar doel.
§ 3. Zulks geldt zelfs wanneer in de statuten is bepaald dat de
vennootschap niet is opgericht met het oogmerk aan de vennoten een
rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen.
§ 4. Burgerlijke vennootschappen met handelsvorm zijn vennootschappen
waarvan het doel burgerlijk is, en die, zonder hun burgerlijke aard te
verliezen, de rechtsvorm van een handelsvennootschap aannemen met het oog
op het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid. Zij hebben niet de
hoedanigheid van koopman.
TITEL II. – Definities
HOOFDSTUK I. - Genoteerde vennootschappen
Art. 4
Genoteerde
vennootschappen zijn vennootschappen waarvan de effecten zijn
toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de
zin van artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende
het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
HOOFDSTUK II. - Controle, moeder- en
dochtervennootschappen
Afdeling I. – Controle
Art. 5
§ 1. Onder « controle » over een vennootschap moet worden verstaan, de
bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te
oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of
zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.
§ 2. De controle is in rechte en wordt onweerlegbaar vermoed :
1° wanneer zij voortvloeit uit het bezit van de meerderheid van de
stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van de betrokken
vennootschap;
2° wanneer een vennoot het recht heeft de meerderheid van de bestuurders
of zaakvoerders te benoemen of te ontslaan;
3° wanneer een vennoot krachtens de statuten van de betrokken
vennootschap of krachtens met die vennootschap gesloten overeenkomsten
over de controlebevoegdheid beschikt;
4° wanneer op grond van een overeenkomst met andere vennoten van de
betrokken vennootschap, een vennoot beschikt over de meerderheid van de
stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van die vennootschap;
5° in geval van gezamenlijke controle.
§ 3. De controle is in feite wanneer zij voortvloeit uit andere factoren
dan bedoeld in § 2.
Een vennoot wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed over een
controle in feite te beschikken op een vennootschap, wanneer hij op de
voorlaatste en laatste algemene vergadering van deze vennootschap
stemrechten heeft uitgeoefend die de meerderheid vertegenwoordigen van de
stemrechten verbonden aan de op deze algemene vergaderingen
vertegenwoordigde aandelen.
Art. 6
Voor de toepassing van dit wetboek wordt verstaan :
1° onder « moedervennootschap », de vennootschap die een
controlebevoegdheid uitoefent over een andere vennootschap;
2° onder « dochtervennootschap », de vennootschap ten opzichte waarvan
een controlebevoegdheid bestaat.
Art. 7
§ 1. Om de controlebevoegdheid vast te stellen :
1° wordt de onrechtstreekse bevoegdheid via een dochtervennootschap bij
de rechtstreekse bevoegdheid geteld;
2° wordt de bevoegdheid van een persoon die optreedt als tussenpersoon
van een andere persoon, geacht uitsluitend in het bezit te zijn van
laatstgenoemde.
Om de controlebevoegdheid vast te stellen wordt geen rekening gehouden met
een schorsing van stemrechten, noch met de stemrechtbeperking bedoeld in
dit wetboek of in wettelijke of statutaire beperkingen met een
soortgelijke uitwerking.
Voor de toepassing van artikel 5, § 2, 1° en 4° moeten de stemrechten
verbonden aan het totaal van de aandelen van een dochtervennootschap
worden verminderd met de stemrechten verbonden aan de aandelen van deze
dochtervennootschap, gehouden door laatstgenoemde zelf of door haar
dochtervennootschap. Dezelfde regel is van toepassing in het in artikel 5,
§ 3, tweede lid, bedoelde geval, wat de aandelen betreft die op de
laatste twee algemene vergaderingen zijn vertegenwoordigd.
§ 2. Onder « tussenpersoon » moet worden verstaan, elke persoon die
optreedt krachtens een overeenkomst van lastgeving, commissie, portage,
naamlening, fiducie of een overeenkomst met een gelijkwaardige uitwerking,
voor rekening van een andere persoon.
Art. 8
Onder « exclusieve controle » moet worden verstaan, de controle die een
vennootschap alleen of samen met één of meer van haar
dochtervennootschappen uitoefent.
Art. 9
Onder « gezamenlijke controle » moet worden verstaan, de controle die
een beperkt aantal vennoten samen uitoefenen, wanneer zij zijn
overeengekomen dat beslissingen omtrent de oriëntatie van het beleid niet
zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen.
Onder « gemeenschappelijke dochtervennootschap » moet worden verstaan,
de vennootschap ten opzichte waarvan een gezamenlijke controle bestaat.
Afdeling II. – Consortium
Art. 10
§ 1. Er is een « consortium » wanneer een vennootschap enerzijds, en
één of meer andere vennootschappen naar Belgisch of naar buitenlands
recht anderzijds, die geen dochtervennootschappen zijn van elkaar, noch
dochtervennootschappen zijn van één en dezelfde vennootschap, onder
centrale leiding staan.
§ 2. Deze vennootschappen worden onweerlegbaar vermoed onder centrale
leiding te staan :
1° wanneer de centrale leiding van deze vennootschappen voortvloeit uit
tussen deze vennootschappen gesloten overeenkomsten of uit statutaire
bepalingen, of
2° wanneer hun bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde
personen.
§ 3. Behoudens tegenbewijs worden vennootschappen vermoed onder centrale
leiding te staan wanneer de meerderheid van hun aandelen worden gehouden
door dezelfde personen. De bepalingen van artikel 7 zijn van toepassing.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de aandelen gehouden door
overheden.
Afdeling III. - Verbonden en geassocieerde
vennootschappen
Art. 11
Voor de toepassing van dit wetboek wordt verstaan :
1° onder « met een vennootschap verbonden vennootschappen » :
a) de vennootschappen waarover zij een controlebevoegdheid uitoefent;
b) de vennootschappen die een controlebevoegdheid over haar uitoefenen;
c) de vennootschappen waarmee zij een consortium vormt;
d) de andere vennootschappen die, bij weten van haar bestuursorgaan, onder
de controle staan van de vennootschappen bedoeld in a), b) en c);
2° onder « personen verbonden met een persoon », de natuurlijke en
rechtspersonen die verbonden zijn met een persoon in de betekenis van het
1°.
Art. 12
Onder « geassocieerde vennootschap » wordt verstaan, elke andere
vennootschap dan een dochtervennootschap of een gemeenschappelijke
dochtervennootschap waarin een andere vennootschap een deelneming bezit en
waarin zij een invloed van betekenis uitoefent op de oriëntatie van het
beleid.
Behoudens tegenbewijs wordt deze invloed van betekenis vermoed indien de
stemrechten verbonden aan deze deelneming één vijfde of meer
vertegenwoordigen van het totaal aantal stemrechten van de aandeelhouders
of vennoten van deze vennootschap. De bepalingen van artikel 7 zijn van
toepassing.
Afdeling IV. - Deelneming en deelnemingsverhouding
Art. 13
Worden als deelnemingen beschouwd, de maatschappelijke rechten in andere
vennootschappen die ertoe strekken door het scheppen van een duurzame en
specifieke band met die andere vennootschappen, de vennootschap in staat
te stellen een invloed uit te oefenen op de oriëntatie van het beleid van
deze vennootschappen.
Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt vermoed een deelneming te zijn :
1° het bezit van maatschappelijke rechten die één tiende
vertegenwoordigen van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van
een categorie aandelen van een vennootschap;
2° het bezit van maatschappelijke rechten die een quotum van minder dan
10 % vertegenwoordigen :
a) wanneer ze, samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde
vennootschap worden aangehouden door de dochters van de vennootschap, één
tiende bereiken van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een
categorie aandelen van die vennootschap;
b) wanneer de daden van beschikking over deze aandelen of de uitoefening
van de daaraan verbonden rechten onderworpen zijn aan overeenkomsten of
aan eenzijdige verbintenissen die de vennootschap heeft aangegaan.
Art. 14
Onder « vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat »,
wordt verstaan, de vennootschappen welke geen verbonden vennootschappen
zijn :
1° waarin de vennootschap rechtstreeks dan wel haar dochters een
deelneming aanhouden;
2° die, bij weten van het bestuursorgaan van de vennootschap,
rechtstreeks of waarvan de dochters een deelneming in het kapitaal van de
vennootschap aanhouden;
3° die, bij weten van het bestuursorgaan van de vennootschap, dochters
zijn van de vennootschappen bedoeld in het 2°.
HOOFDSTUK III. - Grootte van vennootschappen en
groepen
Afdeling I. - Kleine vennootschappen
Art. 15
§ 1. Kleine vennootschappen zijn deze vennootschappen met
rechtspersoonlijkheid die voor het laatst afgesloten boekjaar, niet meer
dan één der volgende criteria overschrijden :
- jaargemiddelde van het personeelsbestand : 50;
- jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde : 6.250.000
euro;
- balanstotaal : 3.125.000 euro;
tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt.
§ 2. Voor vennootschappen die met hun bedrijf starten, worden voor de
toepassing van de in § 1 vermelde criteria, deze cijfers bij het begin
van het boekjaar te goeder trouw geschat.
Als een vennootschap het vorige boekjaar de criteria bedoeld in § 1 niet
overschreed, dan wordt ze voor het lopende boekjaar als kleine
vennootschap aangezien, ook al voldoet ze voor dat boekjaar niet langer
aan de criteria daartoe vereist.
Als een vennootschap het vorige boekjaar de criteria bedoeld in § 1
overschreed, dan wordt ze voor het lopende boekjaar niet als een kleine
vennootschap aangezien, ook al voldoet ze voor dat boekjaar aan de
criteria daartoe vereist.
§ 3. Heeft het boekjaar een duur van minder of meer dan twaalf maanden,
dan wordt het bedrag van de omzet exclusief de belasting over de
toegevoegde waarde bedoeld in § 1, vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het boekjaar,
waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld.
§ 4. Het gemiddelde aantal werknemers bedoeld in § 1 is het gemiddelde
van het per einde van elke maand van het boekjaar in het krachtens het
koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van
sociale documenten gehouden personeelsregister ingeschreven aantal
werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten.
Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten is gelijk aan
het arbeidsvolume teruggebracht tot voltijds tewerkgestelde equivalenten,
te berekenen voor de deeltijdse werknemers op basis van het conventioneel
aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale
arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer
(referentiewerknemer).
Wanneer de opbrengsten die voorspruiten uit het gewoon bedrijf van een
vennootschap voor meer dan de helft bestaan uit opbrengsten die niet aan
de omschrijving beantwoorden van de post « omzet », dan moet voor de
toepassing van § 1 onder omzet worden verstaan : het totaal van de
opbrengsten met uitsluiting van de uitzonderlijke opbrengsten.
Het balanstotaal bedoeld in § 1 is de totale boekwaarde van de activa
zoals ze blijkt uit het balansschema dat vastgesteld is bij koninklijk
besluit op grond van artikel 92, § 1.
§ 5. Als de vennootschap met één of meer andere vennootschappen
verbonden is in de zin van artikel 11, worden de criteria inzake omzet en
balanstotaal bedoeld in § 1 berekend op geconsolideerde basis. Wat het
criterium personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld
dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks
gemiddeld wordt tewerkgesteld.
§ 6. De Koning kan de in § 1 vermelde cijfers en de wijze waarop ze
worden berekend, wijzigen. Deze koninklijke besluiten worden genomen na
overleg in de Ministerraad en na advies van de Centrale Raad voor het
bedrijfsleven. Voor de wijziging van § 4, eerste en tweede lid, wordt
bovendien het advies van de Nationale Arbeidsraad gevraagd.
Afdeling II. - Kleine groepen
Art. 16
§ 1. Een vennootschap samen met haar dochtervennootschappen, of
vennootschappen die samen een consortium uitmaken, worden geacht een
kleine groep te vormen, indien deze vennootschappen samen, op
geconsolideerde basis, niet meer dan één van de volgende criteria
overschrijden :
- jaaromzet, exlusief belasting over de toegevoegde waarde : 25 miljoen
euro;
- balanstotaal : 12,5 miljoen euro;
- jaargemiddelde van het personeelsbestand : 250.
De in het eerste lid bedoelde cijfers worden voor de boekjaren die ingaan
vóór 1 januari 2000, als volgt verhoogd :
- jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde : 2 000
miljoen frank;
- balanstotaal : 1 000 miljoen frank;
- jaargemiddelde van het personeelsbestand : 500.
§ 2. De in § 1 bedoelde cijfers worden getoetst op de datum van de
afsluiting van de jaarrekening van de consoliderende vennootschap, op
basis van de laatste opgemaakte jaarrekeningen van de te consolideren
vennootschappen; pas als twee jaar lang de criteria worden overschreden,
heeft zulks uitwerking.
§ 3. Het gemiddelde aantal werknemers bedoeld in § 1 is het gemiddelde
van het per einde van elke maand van het boekjaar in het krachtens het
koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van
sociale documenten gehouden personeelsregister ingeschreven aantal
werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten.
Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten is gelijk aan
het arbeidsvolume teruggebracht tot voltijds tewerkgestelde equivalenten,
te berekenen voor de deeltijdse werknemers op basis van het conventioneel
aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale
arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer
(referentiewerknemer).
Wanneer de opbrengsten die voortspruiten uit het gewoon bedrijf van een
vennootschap voor meer dan de helft bestaan uit opbrengsten die niet aan
de omschrijving beantwoorden van de post « omzet », dan moet voor de
toepassing van § 1 onder omzet worden verstaan : het totaal van de
opbrengsten met uitsluiting van de uitzonderlijke opbrengsten.
Het balanstotaal bedoeld in § 1 is de totale boekwaarde van de activa
zoals ze blijkt uit het balansschema dat vastgesteld is bij koninklijk
besluit ter uitvoering van artikel 117, § 1.
§ 4. De Koning kan de in § 1 vermelde cijfers en de wijze waarop ze
worden berekend, wijzigen. Deze koninklijke besluiten worden genomen na
overleg in de Ministerraad en na advies van de Centrale Raad voor het
bedrijfsleven.
TITEL III. - Algemene strafbepaling
Art. 17
Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet
uitgezonderd, is mede van toepassing op de misdrijven in dit wetboek
omschreven.
|