|
BOEK
XV
Diverse bepalingen en overgangsbepalingen
TITEL I. - Diverse bepalingen
Art. 874
§ 1. De artikelen 92, 94 tot 96, 98, 100 tot 102, 104 en 105, 143 en
144, 553 tot 555, 616 tot 619 en 624 van dit wetboek zijn,
niettegenstaande elk hiermee strijdig statutair beding, van toepassing
op de publiekrechtelijke rechtspersonen die de rechtsvorm van een
handelsvennootschap hebben aangenomen.
§ 2. Indien binnen een publiekrechtelijke rechtspersoon een college van
commissarissen is gevormd dat leden telt die in hun hoedanigheid van
bedrijfsrevisor zijn aangesteld en leden welke niet in deze hoedanigheid
zijn aangesteld, zijn de bepalingen van dit wetboek inzake de
commissarissen, niettegenstaande elk hiermee strijdig statutair beding,
van toepassing op de commissarissen die in hun hoedanigheid van
bedrijfsrevisor zijn aangesteld; zij stellen een afzonderlijk verslag
op.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de andere commissarissen
behalve indien de statuten zulks uitdrukkelijk bepalen.
Art. 875
De Koning kan de artikelen 514 tot 516, 534, 545 en 556 aanpassen aan de
verplichtingen die voor België voortvloeien uit de richtlijnen van de
Raad van de Europese Gemeenschappen voor zover het maatregelen betreft
die de Grondwet niet aan de wetgever voorbehoudt.
Art. 876
§ 1. De Koning wordt gemachtigd om met behulp van de bijgevoegde
concordantietabel de verwijzingen in wetten en koninklijke besluiten
naar boek I, titel IX, van het Wetboek van koophandel of naar andere
wetten of koninklijke besluiten die in dit wetboek zijn opgenomen, te
wijzigen door verwijzigingen naar dit Wetboek van vennootschappen.
§ 2. Tot zij door de Koning zijn aangepast, dienen de verwijzingen in
wetten en koninklijke besluiten naar boek I, titel IX, van het Wetboek
van koophandel of naar andere wetten of koninklijke besluiten die in dit
wetboek zijn opgenomen, met behulp van de bijgevoegde concordantietabel
gelezen te worden als verwijzingen naar het Wetboek van vennootschappen.
TITEL II. – Overgangsbepalingen
Art. 877
Artikel 556 is niet van toepassing op de rechten die aan derden zijn
toegekend vóór 5 augustus 1991. Het bestaan van die rechten moet
evenwel op de eerstvolgende gewone algemene vergadering worden
medegedeeld.
Art. 878
§ 1. Artikel 632, § 2, is van toepassing op de aandelen die op 5
augustus 1991 in bezit worden gehouden door een naamloze vennootschap
met zetel in België, of op de aandelen van een dergelijke vennootschap
die op 5 augustus 1991 in bezit worden gehouden wanneer de eraan
verbonden stemrechten meer dan 10 % vertegenwoordigen van het geheel van
de stemmen verbonden aan de op die dag uitgegeven effecten.
§ 2. Bestaan er op 5 augustus 1991 wederzijdse deelnemingen zoals
bedoeld in artikel 632, dan nemen de betrokken vennootschappen in
onderling overleg de nodige maatregelen zodat ten minste één van beide
haar deelneming in de andere tot ten hoogste 10 % vermindert.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, moet elk van de betrokken
vennootschappen binnen één jaar, te rekenen van 5 augustus 1991, haar
deelneming tot ten hoogste 10 % verminderen.
Indien binnen voornoemde termijn geen regelmatige vervreemding is
geschied, worden de stemrechten verbonden aan de te vervreemden aandelen
of winstbewijzen geschorst.
§ 3. Indien op 5 augustus 1991 deelnemingen in de zin van de artikelen
627 en 631, §§ 1 en 4, bestaan, nemen de betrokken vennootschappen in
onderling overleg en binnen een termijn van een jaar de nodige
maatregelen teneinde die bepalingen na te komen. Indien tussen de
betrokken vennootschappen over die maatregelen geen overeenstemming
wordt bereikt, moet deze vervreemding plaatsvinden naar evenredigheid
van het aantal stemrechten verbonden aan de effecten die ieder van de
betrokken vennootschappen bezit.
Indien binnen voornoemde termijn geen regelmatige vervreemding is
geschied, worden de stemrechten verbonden aan de te vervreemden aandelen
of winstbewijzen geschorst.
De vennootschap die op 5 augustus 1991 een dochtervennootschap is van
een andere vennootschap, geeft deze laatste, binnen een termijn van zes
maanden te rekenen van voornoemde datum, kennis van het aantal en de
aard van de door de moedervennootschap uitgegeven effecten met stemrecht
die zij in bezit heeft en ook van elke wijziging in haar
effectenportefeuille.
§ 4. In afwijking van de §§ 2 en 3 worden de percentages van de
deelnemingen bedoeld in de artikelen 631, § 1, eerste lid, en 632, en
berekend overeenkomstig de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van
belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot
reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, die bestaan tussen
een vennootschap die een publiek beroep op het spaarwezen doet of heeft
gedaan en een andere vennootschap, niet verminderd overeenkomstig de
artikelen 631 en 632, op voorwaarde dat die deelnemingen vóór 1
januari 1996 aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zijn
medegedeeld.
Indien op 17 juni 1995 deelnemingen bestaan in de zin van artikel 627,
nemen de betrokken vennootschappen in onderling overleg vóór 1 januari
1997 de nodige maatregelen met het oog op de nakoming van die bepaling
waarbij aan de daarin bedoelde vennootschappen verbod wordt opgelegd om,
samen met de emitterende vennootschap, effecten van de laatstgenoemde
vennootschap in hun bezit te houden die meer dan 10 % vertegenwoordigen
van het geplaatste kapitaal.
Indien tussen de betrokken vennootschappen geen overeenstemming wordt
bereikt, vinden de vervreemdingen plaats naar evenredigheid van het
gedeelte van het kapitaal dat overeenstemt met de effecten die ieder van
de vennootschappen in haar bezit houdt.
Voor de toepassing van de artikelen 627 en 631, § 1, eerste lid, kunnen
de stemrechten verbonden aan de aandelen of winstbewijzen die vóór 4
december 1992 zijn verkregen, tot 1 januari 1998 worden uitgeoefend voor
zover zij voor alle bedoelde vennootschappen niet meer dan 10 %
vertegenwoordigen van het geheel van de stemrechten verbonden aan alle
uitgegeven effecten, met inbegrip van de effecten die de emitterende
vennootschap krachtens artikel 620 in haar bezit houdt. »
Art.
879
De
Commissie voor het Bank- en Financiewezen schrijft de Nationale
Bank van België in op de lijst bedoeld in artikel 438, vierde
lid, met een vermelding die de aandacht van het publiek vestigt op
het feit dat de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen
slechts aanvulling van toepassing zijn op de Bank. De statuten van
de Bank worden gewijzigd, volgens de procedure bepaald in artikel
36, eerste lid, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling
van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, om
haar hoedanigheid te vermelden van naamloze vennootschappen die
een openbaar beroep op het spaarwezen doet of gedaan heeft.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in sommige wetten,
noodzakelijk ten gevolge van de invoering van het
Wetboek van vennootschappen
Art. 3. Artikel 15, b), van de wet van 20 september 1948 houdende
organisatie van het bedrijfsleven, gewijzigd bij de wet van 21 februari
1985, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Wanneer een onderneming
klein is overeenkomstig de criteria van het Wetboek van vennootschappen,
en haar jaarrekening volgens het verkort schema heeft opgemaakt, moet
zij aan de ondernemingsraad samen met die jaarrekening de gegevens
meedelen die dientengevolge zijn samengevoegd of weggelaten. ».
Art. 4. Artikel 15bis van dezelfde wet ingevoegd bij de wet van 21
februari 1985, wordt als volgt vervangen :
« Art. 15bis. In elke
onderneming waar een ondernemingsraad werd opgericht in uitvoering van
deze wet, met uitzondering van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen,
worden één of meer bedrijfsrevisoren benoemd.
De opdracht van deze bedrijfsrevisoren ten aanzien van de
ondernemingsraad, alsook de voordracht, benoeming, vernieuwing van het
mandaat en ontslag van deze bedrijfsrevisoren, wordt beheerst door de
artikelen 151 tot 164 van het Wetboek van vennootschappen, met
betrekking tot de controle in vennootschappen waar een ondernemingsraad
werd opgericht.
Bij ontstentenis van een algemene vergadering van vennoten, oefent het
bestuursorgaan of, bij gebreke daarvan, het ondernemingshoofd, de
rechten uit die in de bepalingen bedoeld in het tweede lid aan de
algemene vergadering worden toegekend en leeft het de verplichtingen na
die in dezelfde bepalingen worden opgelegd. ».
Art. 5. In het opschrift van
de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de
ondernemingen vervallen de woorden « en de jaarrekening ».
Art. 6. In artikel 1, eerste
lid, 1°, van dezelfde wet vervallen de woorden « en de economische
samenwerkingsverbanden ».
Art. 7. De artikelen 8 en 14
van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de
ondernemingen worden de artikelen 7 en 13.
Art. 8. In dezelfde wet wordt
in de plaats van artikel 9, dat artikel 8 wordt, een nieuw artikel 9
ingevoegd, luidende :
« Art. 9. § 1. Elke onderneming verricht, omzichtig en te goeder
trouw, ten minste eens per jaar de nodige opnemingen, verificaties,
onderzoekingen en waarderingen om op een door haar gekozen datum de
inventaris op te maken van al haar bezittingen, vorderingen, schulden en
verplichtingen van welke aard ook, die betrekking hebben op haar
bedrijf, en van de eigen middelen daaraan verstrekt. De
inventarisstukken worden ingeschreven in een boek. De stukken die wegens
hun omvang bezwaarlijk kunnen worden overgeschreven, worden in dat boek
samengevat en erbij gevoegd.
§ 2. De inventaris wordt ingericht overeenkomstig het rekeningenstelsel
van de onderneming.
De Koning kan maatstaven voor de waardering van de inventaris bepalen.
Deze paragraaf geldt niet voor de in artikel 5 bedoelde ondernemingen.
».
Art. 9. Artikel 10 van
dezelfde wet, vervangen bij de wet van 24 maart 1978, wordt vervangen
als volgt :
« Art. 10. § 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht
met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat en beschreven in
een staat, zijnde de jaarrekening.
§ 2. De ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van
vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten moeten zich gedragen naar
de bepalingen daarvan wat de vorm, de inhoud, de controle en de
neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft.
De inhoud en de omvang van hun verplichtingen worden bepaald op basis
van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en
balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan
het Wetboek van vennootschappen.
De jaarrekening van de openbare instellingen bedoeld in artikel 1,
eerste lid, 3°, van deze wet moet worden neergelegd binnen zeven
maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar, ook al werd de
procedure van toezicht en goedkeuring waaraan zij in voorkomend geval is
onderworpen nog niet beëindigd. In dergelijk geval maakt de neergelegde
jaarrekening van dit feit uitdrukkelijk melding.
Deze paragraaf is niet van toepassing op :
1° de natuurlijke personen die koopman zijn en die bedoeld worden in
artikel 5;
2° de ondernemingen bedoeld in artikel 1, 4°, waarop hoofdstuk I niet
van toepassing is verklaard;
3° de ondernemingen bedoeld in artikel 16, § 1;
4° de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen;
5° de door buitenlandse ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het
Wetboek van vennootschappen in België gevestigde bijkantoren en centra
van werkzaamheden, wanneer die bijkantoren en centra van werkzaamheden
geen eigen opbrengsten hebben door verkoop van goederen of
dienstverlening aan derden of door geleverde goederen of verleende
diensten aan de buitenlandse onderneming waarvan zij afhangen en waarvan
de werkingskosten volledig door de laatstgenoemde worden gedragen;
6° de natuurlijke personen die koopman zijn, wat de neerlegging van de
jaarrekening en het jaarverslag betreft. ».
Art. 10. Artikel 11 van
dezelfde wet, vervangen bij de wet van 1 juli 1983, wordt vervangen als
volgt :
« Art. 11. § 1. De openbare instellingen naar Belgisch recht die een
statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële
aard, met uitzondering van de ondernemingen die bedoeld zijn in artikel
15, § 1, van deze wet moeten zich gedragen naar de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten voor wat de
vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van een geconsolideerde
jaarrekening en geconsolideerd jaarverslag betreft.
De inhoud en de omvang van hun verplichtingen wordt bepaald op basis van
dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal
als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek
van vennootschappen.
De Koning kan het toepassingsgebied van de in het vorige lid bedoelde
bepalingen uitbreiden tot andere in artikel 1 bedoelde ondernemingen.
§ 2. De Koning kan de door Hem op grond van artikelen 4, zesde lid, 9,
§ 2, 10 en 11, § 1, gestelde regels aanpassen, aanvullen of er geheel
of gedeeltelijk vrijstelling van verlenen naargelang van de omvang van
de onderneming alsmede de bedrijfstakken en de economische sectoren
waarin zij werkzaam is. ».
Art. 11. Artikel 13 van dezelfde wet wordt artikel 12, met dien
verstande dat in het tweede lid van dat artikel de woorden « artikel 7,
vierde lid, de artikelen 10, 11, 1° en 3°, en 12 » worden vervangen
door de woorden « artikel 9, § 2, artikel 10 en artikel 11 ».
Art. 12. Artikel 15 van
dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 juli 1983, wordt artikel 14,
met dien verstande dat in dat artikel de volgende wijzigingen worden
aangebracht :
1° in de eerste zin worden de woorden « artikel 7, vierde lid, en van
de artikelen 10, 11 en 12 » vervangen door de woorden « artikel 9, §
2, de artikelen 10 en 11 »;
2° in de tweede zin worden de woorden van « de ondernemingen bedoeld
in artikel 12, § 2 » vervangen door de woorden « de vennootschappen
en andere ondernemingen die als klein kunnen worden beschouwd in de zin
van het Wetboek van vennootschappen ».
Art. 13. Artikel 16 van
dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 april 1995, wordt artikel 15,
met dien verstande dat in dat artikel de volgende wijzigingen worden
aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden « Artikel 5 en de artikelen 10 tot 15
alsook de besluiten genomen ter uitvoering van
artikel 4, zesde lid, en van
artikel 7, vierde lid », vervangen door de woorden « artikel 5 en de
artikelen 10, 11 en 12 tot 14 alsook de besluiten genomen ter uitvoering
van artikel 4, zesde lid, en artikel 9, § 2 »;
2° in § 2 worden in het eerste lid de woorden « De artikelen 5 en 12
zijn niet van toepassing » vervangen door de woorden « Artikel 5 en
artikel 10, § 2, tweede lid, zijn niet van toepassing », en in het
tweede lid worden de woorden « artikel 7, vierde lid, artikel 10, § 1,
artikel 11, 2° » vervangen door de woorden « artikel 9, § 2, artikel
10, § 2, eerste lid, artikel 11, § 2 ».
Art. 14. Artikel 17 van
dezelfde wet wordt artikel 16, met dien verstande dat in dat artikel de
volgende wijzigingen worden aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden « artikel 7, vierde lid »
vervangen door « artikel 9, § 2 », en worden de woorden « artikel 8,
§ 2 » vervangen door de woorden « artikel 7, § 2 ».
2° in het tweede lid worden de woorden « artikelen 5 en 7 » telkens
vervangen door de woorden « artikelen 5 en 9 », en worden de woorden
« 6, 8 en 9 » telkens vervangen door de woorden « 6, 7 en 8 ».
Art. 15. Artikel 2 van de wet
van 12 juli 1989 houdende verscheidene maatregelen tot toepassing van de
verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot
instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden wordt
vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van de verordening (EEG)
nr 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese
economische samenwerkingsverbanden, zijn de bepalingen die zowel de
oprichtingsovereenkomst, behalve voor vraagstukken betreffende de staat
en de bekwaamheid van natuurlijke personen en de bekwaamheid van
rechtspersonen, als het inwendige bestel van het samenwerkingsverband,
alsmede de vereffening ervan en de afsluiting van de vereffening
beheersen, die welke vervat zijn in het Wetboek van vennootschappen die
betrekking hebben op de economische samenwerkingsverbanden. ».
HOOFDSTUK
IV. - Opheffingsbepalingen - Overgangsregeling
Inwerkingtreding – Bevoegdheidstoewijzing
Afdeling I. – Opheffingsbepalingen
Art. 16. Boek III, titel IX van het Burgerlijk Wetboek wordt opgeheven.
Art. 17. Boek I, titel IX van
het Wetboek van koophandel wordt opgeheven.
Art. 18. De artikelen 15ter,
15quater en 15quinquies van de wet van 20 september 1948 houdende
organisatie van het bedrijfsleven worden opgeheven.
Art. 19. In artikel 33 van de
wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut der
Bedrijfsrevisoren worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt opgeheven;
2° § 3 wordt § 2.
Art. 20. De artikelen 7, 12 en
17bis van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening
van de ondernemingen worden opgeheven.
Art. 21. De wet van 12 juli
1979 tot instelling van de landbouwvennootschap wordt opgeheven.
Art. 22. De artikelen 5,
tweede lid, 6, 7, 8, eerste lid, 2° en 3°, tweede lid, tweede zin en
derde lid, en 17bis van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van
belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot
reglementering van de openbare overname-aanbiedingen worden opgeheven.
De artikelen 5, derde lid, en 8, tweede lid, eerste zin, vierde en
vijfde lid, van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van
belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot
reglementering van de openbare overname-aanbiedingen worden opgeheven
voor zover ze van toepassing zijn op de vennootschappen bedoeld in
artikel 515 van het Wetboek van vennootschappen.
Art. 23. De wet van 17 juli
1989 betreffende de economische samenwerkingsverbanden wordt opgeheven.
Afdeling
II. - Overgangsregeling en inwerkingtreding
Art. 24. De bestaande venootschappen moeten hun statuten aanpassen aan
het Wetboek van vennootschappen binnen drie jaar na de inwerkingtreding
van het Wetboek van vennootschappen.
Zolang de statuten niet zijn aangepast, zal elke statutaire clausule die
verwijst naar bepalingen die door deze wet opgeheven zijn of waarvan de
nummering door de invoering van het Wetboek van vennootschappen
gewijzigd werd, met behulp van de bijgevoegde concordantietabel gelezen
worden als een verwijzing naar de nieuwe nummering van deze teksten.
Wanneer de statuten niet binnen voormelde termijn van drie jaar werden
aangepast aan het Wetboek van vennootschappen, kan iedere belanghebbende
de ontbinding van de vennootschap voor de rechtbank vorderen. In
voorkomend geval kan de rechtbank aan de vennootschap een termijn
toestaan om haar toestand te regulariseren.
Art. 25. Deze wet treedt in
werking op de datum die de Koning vaststelt en ten laatste achttien
maanden na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Afdeling
III. – Bevoegdheidstoewijzing
Art. 26. De koninklijke besluiten tot uitvoering van de artikelen 15, §
6, 16, § 4, 92, § 1, 93, 116, 117, § 1, 122, 123 en 149 van het
Wetboek van vennootschappen worden genomen op voorstel van de minister
die de Economische zaken tot zijn bevoegdheden heeft en worden eveneens
getekend door de minister van Financiën, de minister van Justitie en de
minister die de Middenstand tot zijn bevoegdheden heeft.
Art. 27. De Koning kan de
verwijzingen in wetten en koninklijke besluiten naar bepalingen die in
het Wetboek van vennootschappen werden opgenomen, aanpassen, met behulp
van de bijgevoegde concordantietabel.
Bovendien kan de Koning de verwijzingen naar de « vereniging bij wijze
van deelneming » en naar de « tijdelijke vereniging » aanpassen aan
de nieuwe terminologie van het Wetboek van vennootschappen. Hetzelfde
geldt voor de nieuwe term « maatschap ».
Gegeven te Brussel, 7 mei
1999.
Brussel, 7 mei 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Nota
(1) Zie :
Gedrukte stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers :
- 1838 - 98/99 :
- Nrs. 1 tot 3 : Wetsontwerp.
- Nrs. 4 tot 9 : Amendementen.
- Nr. 10 : Verslag.
- Nr. 11 : Tekst aangenomen door de commissie.
- Nr. 12 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan
de Senaat.
Handelingen van de Kamer : 31 maart en 1 april 1999.
Gedr. St. van de Senaat :
1-1349 - 1998/1999 :
- Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Kamer van
volksvertegenwoordigers.
- Nr. 2 : Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat.
Bijlage 1
|